2018 tijdvak I — Economie VWO — digest

Bron: Examenbundel_Compleet_VWO_Economie.pdf, p.409–434 (opgaven VW-1022-a-18-1-o, correctievoorschrift VW-1022-a-18-1-c, plus aanvulling op het correctievoorschrift VW-1022-a-18-1-c-A). Geen aparte uitwerkbijlage aangetroffen in dit bereik — alle tabellen/figuren (markt-figuur opgave 1, tabel opgave 3, figuur opgave 5) staan ingebed in het vragenboekje zelf. 32 vragen, 6 opgaven, max. 55 punten. Tekstlaag volledig aanwezig; geen fallback naar Read/pages nodig.

Opgave 1 — Zakelijk boeren (importverbod landbouwproduct, vraag-/aanbodfunctie)

  • Vraag 1 (1p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Consumenten- en producentensurplus en Totaal surplus en Pareto-efficiëntie (vlakken in prijs-hoeveelheidfiguur aanwijzen die totaal gerealiseerd surplus vormen bij vrije import) — “Noem de letters van de vlakken in figuur 1 waarmee het totale gerealiseerde surplus wordt weergegeven” — gewicht: licht.
  • Vraag 2 (1p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Totaal surplus en Pareto-efficiëntie en Consumenten- en producentensurplus (welvaartsverlies-driehoek door importverbod) — “Noem de letter(s) van het vlak / de vlakken waarmee het welvaartsverlies … wordt weergegeven” — gewicht: licht.
  • Vraag 3 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Marktevenwicht (vraag-/aanbodfunctie invullen bij nieuwe prijs, import berekenen), raakt ook Rekenvaardigheden economie — “Bereken bij welke hoogte van de toegestane hoeveelheid import de prijsstijging 10% bedraagt” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 4 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK) (variabele kosten per eenheid) en Marktevenwicht (aanbodfunctie ombuigen naar nieuw prijspunt) — “Bereken met welk bedrag de variabele kosten per ton moeten dalen om ervoor te zorgen dat er geen import meer plaatsvindt” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 5 (1p) — vraag + antwoordmodel — concept: Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK) (schaalvergroting → dalende gemiddelde vaste kosten) — “Verklaar dat ook de gemiddelde vaste kosten kunnen dalen als gevolg van het importverbod” — gewicht: licht.
  • Vraag 6 (1p) — vraag + antwoordmodel — concept: Zelfbinding en geloofwaardige dreigingen (geloofwaardigheid van tijdelijkheid van het importverbod is voorwaarde voor gedragsverandering producenten) — “Voor het slagen van dit protectionistische beleid moet het voor de marktpartijen voldoende geloofwaardig zijn dat de overheid na een bepaalde periode een einde zal maken aan het importverbod. Leg dit uit” — gewicht: zwaar (expliciete geloofwaardigheids-redenering, kernpunt van de vraag).

Opgave 2 — Monetair beleid goed geregeld (Taylor-regel, NAIRU, zero lower bound)

  • Vraag 7 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Monetair beleid en de ECB (beleidsregel/rentebepaling) en Nominale versus reële grootheden (reële rente = nominale rente − inflatie) — “Bereken bij welke actuele deflatie de reële rente gezakt zou zijn tot een waarde van nul” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 8 (1p) — vraag + antwoordmodel — concept: Monetair beleid en de ECB (transmissie negatieve rente → bankliquiditeit) — “Verklaar waarom banken in problemen kunnen komen als de nominale rente negatief zou worden” — gewicht: licht.
  • Vraag 9 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Monetair beleid en de ECB (beleidsregel toepassen → lagere rente → bestedingen → inflatie) — “Leg zonder berekening uit dat de toepassing van de beleidsregel ertoe kan leiden dat de inflatie dan weer toeneemt” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 10 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Monetair beleid en de ECB en Werkloosheidsoorten (NAIRU-begrip, teken van coëfficiënt ß t.o.v. werkloosheidsgat) — “Leg uit dat aan de coëfficiënt ß een negatieve waarde moet worden toegekend” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 11 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Monetair beleid en de ECB (zero lower bound berekenen met uitgebreide beleidsregel), raakt ook Rekenvaardigheden economie — “Bereken bij welke omvang van de actuele werkloosheid de CB te maken krijgt met de nulondergrens (zero lower bound) van de nominale rente” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 12 (3p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Monetair beleid en de ECB en Zelfbinding en geloofwaardige dreigingen (consequent beleid → geloofwaardigheid → verankerde inflatieverwachtingen → stabiele loononderhandelingen) — “Leg uit dat het consequent hanteren van de regel voor het rentebeleid essentieel is voor het behoud van een stabiel prijspeil. Gebruik: geloofwaardigheid …; inflatieverwachtingen … en effecten op loononderhandelingen” — gewicht: zwaar (3p, expliciete geloofwaardigheids-/verwachtingenredenering, kernvraag van de opgave).

Opgave 3 — Hun probleem ons probleem? (overheidstekort, uitvoersaldo eurozone)

  • Vraag 13 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Overheid en intertemporele ruil (staatsschuld) en Begrotingssaldo en Stabiliteits- en groeipact (dalend tekort → lagere rente op staatsobligaties) — “Verklaar dat de Nederlandse overheid door het dalende overheidstekort tegen een lager rentetarief zou kunnen lenen” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 14 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Begrotingssaldo en Stabiliteits- en groeipact en Bbp en berekeningsmethoden (teller = tekort, noemer = bbp, investeringen beïnvloeden beide) — “Verklaar deze stelling. Betrek in je verklaring zowel de teller als de noemer van de berekening van het tekortpercentage” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 15 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Bbp en berekeningsmethoden (bestedingsmethode C+I+O+E−M om uitvoer te bepalen) en Betalingsbalans (uitvoersaldo als % bbp) — “Toon met een berekening aan dat volgens de ramingen het uitvoersaldo van Nederland als percentage van het bbp in 2015 hoger is dan in 2014” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 16 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Betalingsbalans en Economische kringloop (buitenlandse productie/inkomen → bestedingen → import → Nederlandse exportontvangsten) — “Verklaar dat een toename van de productie in de Zuid-Europese landen uiteindelijk ook kan leiden tot een toename van de Nederlandse uitvoer” — gewicht: gemiddeld.

Opgave 4 — Middeninkomens trekken aan het kortste eind (huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek)

  • Vraag 17 (1p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Verschuiving van de vraaglijn en Marktevenwicht (vraagfunctie met/zonder toeslag vergelijken), raakt ook Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies (huurtoeslag als subsidie) — “Laat met een berekening zien dat de huurtoeslag per standaardhuurwoning € 200 per maand bedraagt” — gewicht: licht.
  • Vraag 18 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies (incidentie van subsidie tussen huurder en verhuurder via prijsverandering) — “Bereken hoeveel procent van de huurtoeslag per woning ten goede komt aan de verhuurders” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 19 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Belastingstelsel (progressief tarief) en Nivelleren en denivelleren (hypotheekrenteaftrek pakt denivellerend uit) — “Leg uit dat door elk van beide genoemde factoren, mensen met de hoogste inkomens het meest profiteren van de fiscale aftrek van hypotheekrente” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 20 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Nivelleren en denivelleren en Belastingstelsel (drie maatregelen: lager aftrektarief, aftrekplafond, lager marginaal tarief middenschijf) — “Verklaar dat dit voorstel een nivellerend effect kan hebben tussen de hoogste inkomens en de middeninkomens” — gewicht: gemiddeld. Aanvulling correctievoorschrift: tweede deelscorepunt bij deze vraag moet altijd worden toegekend (vraagstelling bleek discutabel).
  • Vraag 21 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Belastingstelsel en Begrotingssaldo en Stabiliteits- en groeipact (budgetneutraliteit combinatie van maatregelen) — “Verklaar dat deze combinatie van maatregelen kan worden ingevoerd zonder dat de ontvangsten van de overheid per saldo hoeven terug te lopen” — gewicht: gemiddeld.

Opgave 5 — Pensioen: inpakken en wegwezen (bedrag ineens vs. maandelijkse uitkering)

  • Vraag 22 (2p) — vraag (figuur) + antwoordmodel — concept: Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel) (aflezen/interpoleren uit ruilcurve bedrag-ineens vs. maandelijkse uitkering), raakt ook Rekenvaardigheden economie — “Bereken aan de hand van figuur 1 het bedrag dat deze deelnemer dan maximaal ineens kan ontvangen” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 23 (1p) — vraag + antwoordmodel — concept: Intertemporele ruil (“ruilen over de tijd”: consumptie tijdens werkzame fase opofferen voor consumptie na pensionering) — “Verklaar waarom bij deelname aan een pensioenstelsel gesproken kan worden van ‘ruilen over de tijd’” — gewicht: licht.
  • Vraag 24 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel) en Beleggen — rendement en risico (dalend verwacht beleggingsrendement → lagere toekomstige maandelijkse uitkering) — “Leg deze waarschuwing van Theuns uit” — gewicht: gemiddeld. Aanvulling correctievoorschrift: eerste deelscorepunt bij deze vraag moet altijd worden toegekend (vraagstelling onvoldoende duidelijk).
  • Vraag 25 (1p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel) en Averechtse selectie en moral hazard (mensen met eigen informatie over korte levensverwachting kiezen eerder voor bedrag ineens, kostbaar voor fonds) — “Leg uit dat deze keuze voor pensioenfondsen kostbaar is in vergelijking met een maandelijkse uitkering tot het levenseinde” — gewicht: licht.
  • Vraag 26 (1p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel) en Verzekeren (risicopooling op basis van demografische levensverwachting man/vrouw) — “Is het … financieel aantrekkelijker om meer mannen of meer vrouwen in bestand te hebben?” — gewicht: licht.
  • Vraag 27 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Averechtse selectie en moral hazard en Asymmetrische informatie (eigen inschatting levensverwachting wijkt af van demografische cijfers → verkeerde keuze bedrag ineens), raakt ook Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel) — “Verklaar deze conclusie. Gebruik tabel 1” — gewicht: gemiddeld.

Opgave 6 — Overheid in de greep van markten (concurrentiepositie, tekort, crowding-out)

  • Vraag 28 (1p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Werkloosheidsoorten en Arbeidsmarkt aanbod en vraag (oorzaak neerwaartse loonstarheid: cao’s/minimumloon) — “Noem een oorzaak van neerwaartse loonstarheid” — gewicht: licht.
  • Vraag 29 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Economische kringloop, GA-curve en Werkloosheidsoorten (concurrentiepositie → goederenmarkt → arbeidsmarkt → werkloosheid → overheidstekort), raakt ook Automatische stabilisatoren (minder belasting/meer uitkeringen bij werkloosheid) — “Leg uit dat de verslechtering van de internationale concurrentiepositie … ertoe kan hebben bijgedragen dat het overheidstekort is opgelopen. Ga uit van een doorwerking vanuit de goederenmarkt naar de arbeidsmarkt” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 30 (2p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer en Betalingsbalans (concurrentiepositie → wisselkoers → vermogensmarkt → rente op staatsobligaties) — “Leg uit dat de verslechtering van de concurrentiepositie … ertoe kan hebben bijgedragen dat de overheid te maken krijgt met een hoger te betalen rentepercentage over staatsobligaties. Ga uit van een doorwerking vanuit de goederenmarkt, via de valutamarkt naar de vermogensmarkt” — gewicht: gemiddeld.
  • Vraag 31 (1p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Conjunctuurpolitiek — begrotingsbeleid, Keynesiaans kruis en GA-curve (extra overheidsbestedingen → productie/vraag naar arbeid omhoog → werkloosheid omlaag) — “Leg uit dat het door de politicus voorgestelde beleid kan leiden tot een daling van de werkloosheid” — gewicht: licht.
  • Vraag 32 (3p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Conjunctuurpolitiek — begrotingsbeleid en In- en uitverdieneffecten (uitverdieneffect/crowding-out via vermogensmarkt: hogere rente óf hogere wisselkoers verdringt bestedingen), raakt ook Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer — “Leg uit dat het voorstel van de politicus via de vermogensmarkt kan leiden tot een stijging van de werkloosheid” — gewicht: zwaar (3p, kernvraag met twee alternatieve crowding-out-mechanismen, zwaarste vraag van het tijdvak).

Telling per concept (aantal vragen waarin geraakt, incl. secundaire raakvlakken)

Concept# vragenVraagnummers
Monetair beleid en de ECB67, 8, 9, 10, 11, 12
Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel)522, 24, 25(sec), 26(sec), 27(sec)
Marktevenwicht41(sec), 3, 4(sec), 17(sec)
Betalingsbalans315(sec), 16, 30(sec)
Belastingstelsel319, 20(sec), 21
Begrotingssaldo en Stabiliteits- en groeipact313(sec), 14, 21(sec)
Werkloosheidsoorten310(sec), 28, 29(sec)
Rekenvaardigheden economie33(sec), 11(sec), 22(sec)
Consumenten- en producentensurplus21, 2(sec)
Totaal surplus en Pareto-efficiëntie21(sec), 2
Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK)24, 5
Zelfbinding en geloofwaardige dreigingen26, 12(sec)
Bbp en berekeningsmethoden214(sec), 15
Economische kringloop216(sec), 29
Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies217(sec), 18
Nivelleren en denivelleren219(sec), 20
Averechtse selectie en moral hazard225(sec), 27
GA-curve229(sec), 31(sec)
Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer230, 32(sec)
Conjunctuurpolitiek — begrotingsbeleid231, 32
Nominale versus reële grootheden17(sec)
Overheid en intertemporele ruil (staatsschuld)113
Verschuiving van de vraaglijn117
Intertemporele ruil123
Beleggen — rendement en risico124(sec)
Verzekeren126(sec)
Asymmetrische informatie127(sec)
Arbeidsmarkt aanbod en vraag128(sec)
Automatische stabilisatoren129(sec)
Keynesiaans kruis131(sec)
In- en uitverdieneffecten132

Meest bevraagde concepten dit tijdvak (zwaar/veelvuldig): Monetair beleid en de ECB (dominant in opgave 2, incl. de zwaarste vraag van die opgave, vraag 12, 3p, over geloofwaardigheid van de beleidsregel), Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel) (kern van opgave 5, doorlopend gekoppeld aan Averechtse selectie en moral hazard/Asymmetrische informatie), Zelfbinding en geloofwaardige dreigingen (opvallend: keert terug in zowel opgave 1 als opgave 2, telkens als kernredenering), en In- en uitverdieneffecten (zwaarste vraag van het hele tijdvak, vraag 32, 3p, crowding-out via de vermogensmarkt).

Bijzonderheden: geen uitwerkbijlage in dit tijdvak. Twee aanvullingen op het correctievoorschrift (VW-1022-a-18-1-c-A): bij vraag 20 moet het tweede deelscorepunt altijd worden toegekend (antwoord bleek discutabel) en bij vraag 24 moet het eerste deelscorepunt altijd worden toegekend (vraagstelling onvoldoende duidelijk) — beide ongeacht het gegeven antwoord.