2019 tijdvak I — Economie VWO — digest
Bron: Examenbundel_Compleet_VWO_Economie.pdf, p.357–383 (opgaven + uitwerkbijlage VW-1022-a-19-1-o, correctievoorschrift VW-1022-a-19-1-c, plus aanvulling correctievoorschrift VW-1022-a-19-1-c-A). 29 vragen, 6 opgaven, max. 59 punten. Geen rekenmachine toegestaan; correctievoorschrift trekt geen punten af voor rekenfouten, tenzij een kandidaat kennelijk niet door schatting heeft gecontroleerd (max. 3p aftrek voor het hele examen) — zie Rekenvaardigheden economie.
Opgave 1 — Rek in het arbeidsaanbod (VS arbeidsmarkt, loonelasticiteit, rente/wisselkoers)
- Vraag 1 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Arbeidsmarkt aanbod en vraag — “Verklaar de stelling van Janets” (arbeidsaanbod reageert sterker op loonstijging → kleinere loonstijging nodig bij toename vraag naar arbeid → minder inflatie) — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 2 (2p) — vraag (tabellen 1 en 2) + antwoordmodel — concept: Arbeidsmarkt aanbod en vraag (loonelasticiteit van het arbeidsaanbod, analoog aan prijselasticiteitsformule) — “Bereken de loonelasticiteit van het arbeidsaanbod in de periode…” — gewicht: gemiddeld. Raakt ook Rekenvaardigheden economie (meerstaps rekenvraag: % groei arbeidsaanbod, samengestelde loongroei over 5 jaar, elasticiteit).
- Vraag 3 (4p, zwaarste vraag opgave 1) — vraag + antwoordmodel — concept: Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer — “Leg uit dat verhoging van de rente in de VS via de kapitaalrekening de wisselkoers… beïnvloedt, en daarmee via de lopende rekening de groei van het bbp… kan beperken” — gewicht: zwaar. Raakt ook Betalingsbalans (kapitaalrekening/lopende rekening transmissie).
- Vraag 4 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Totale factorproductiviteit — “Verklaar de stelling van Paulman” (inflatie lager dan loongroei verklaard uit stijging arbeidsproductiviteit, loonkosten per product blijven beperkt) — gewicht: gemiddeld.
Opgave 2 — Als het geld niet wil rollen (zero lower bound, GV-transmissiekanalen, GAkt/GAlt/GV)
- Vraag 5 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Monetair beleid en de ECB — “Leg uit waarom de CB een beleidsrente onder nul procent zou moeten vaststellen om haar inflatiedoelstelling te bereiken” (zero lower bound) — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 6 (2p) — vraag (figuur 1, transmissieschema) + antwoordmodel — concept: IS-MB-GA-model — conjunctuuranalyse (vermogenseffect: prijspeil → reële waarde financiële bezittingen → geaggregeerde vraag) — “Leg uit dat het verband tussen het prijspeil en de geaggregeerde vraag via de financiële bezittingen negatief is” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 7 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: IS-MB-GA-model — conjunctuuranalyse (reële-rente-kanaal) — “Leg uit dat het verband… via de reële rente positief is” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 8 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: IS-MB-GA-model — conjunctuuranalyse (schuldenkanaal) — “Leg uit dat het verband… via de schulden positief is” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 9 (1p) — vraag (figuur 2: GV, GAkt, GAlt) + antwoordmodel — concepten: GA-curve en Conjunctuur en output gap — “Leg uit dat uit figuur 2 is af te leiden dat de economie zich nu in een laagconjunctuur bevindt” — gewicht: licht.
Opgave 3 — Markt voor hoger onderwijs (kruislingse elasticiteit, betalingsbereidheid, speltheorie, moral hazard)
- Vraag 10 (2p) — vraag (vraagfuncties BSA/BSB) + antwoordmodel — concept: Kruislingse elasticiteit — “Ondervinden de private onderwijsinstellingen de sterkste concurrentie van elkaar of van de publieke… aan de hand van de relevante coëfficiënten” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 11 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Betalingsbereidheid — “Bereken… de bovengrens van de betalingsbereidheid die een student kan tonen voor… BSA” (choke price via Qva=0) — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 12 (2p) — vraag (pay-off matrix) + antwoordmodel + aanvulling correctievoorschrift — concept: Prijs, afzet en totale opbrengst (TO = p×q, %-verandering omzet) — “Geef de berekening van de waarde van 0,57%…” — gewicht: gemiddeld. Let op: aanvulling bepaalt dat hier altijd 2 scorepunten worden toegekend, ongeacht het gegeven antwoord (vraagstelling bleek dubbelzinnig/overgespecificeerd t.o.v. de benodigde functie).
- Vraag 13 (3p) — vraag (pay-off matrix) + antwoordmodel — concepten: Speltheorie pay-off matrix en spelboom en Nash-evenwicht (dominante strategie per speler) — “Beargumenteer wat op basis van de pay-off matrix zal gebeuren met het verschil in collegegeld” — gewicht: zwaar.
- Vraag 14 (3p) — vraag + antwoordmodel — concept: Averechtse selectie en moral hazard — “Verklaar de drie onderdelen van de stelling van de minister” (verplichte solidariteit, moral hazard bij gratis collegegeld, aantasting draagvlak) — gewicht: zwaar.
Opgave 4 — Protectie een lapmiddel? (infant industry, bbp-berekening, handelsquote, wisselkoers, Gini)
- Vraag 15 (1p) — vraag + antwoordmodel — concept: Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies — “Leg uit dat importheffingen de vraag naar importen kunnen beperken” (heffing → hogere prijs → lagere gevraagde hoeveelheid) — gewicht: licht.
- Vraag 16 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK) (schaalvergroting → dalende gemiddelde kosten) — “Leg uit dat beperking van de importen binnenlandse bedrijven… de kans geeft om na verloop van tijd beter te concurreren op de wereldmarkt” (infant industry argument) — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 17 (2p) — vraag (tabel 1: C, I, O, E, M) + antwoordmodel — concept: Bbp en berekeningsmethoden (bestedingsmethode: bbp = C+I+O+E−M) — “Bepaal met een berekening of de internationale handelsquote… is toe- of afgenomen” — gewicht: zwaar. Raakt ook Rekenvaardigheden economie.
- Vraag 18 (2p) — vraag (uitsluitend tabel 1) + antwoordmodel — concept: Betalingsbalans (lopende rekening negatief → aanbod > vraag munt) en Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer (depreciatie) — “Leg… uit dat de stijging van de exportwaarde… veroorzaakt zou kunnen zijn door een waardeverandering van de pesto” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 19 (1p) — vraag + antwoordmodel — concept: Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer (geïmporteerde inflatie via depreciatie) — “Leg uit dat het prijsniveau in Pesthan kan zijn toegenomen als gevolg van depreciatie van de pesto” — gewicht: licht.
- Vraag 20 (3p) — vraag (grafiek 1 en 2: handelsquote vs. bbp-groei / Gini) + antwoordmodel — concepten: Arbeidsmarkt aanbod en vraag (krappere arbeidsmarkt → loonstijging, onderdeel i.) en Inkomensongelijkheid (Gini en percentielenratio) (onderdeel ii.) — “Licht het advies van het EA toe. Besteed aandacht aan onderdelen i. en ii.” — gewicht: zwaar voor beide concepten.
Opgave 5 — Wie krijgt de opslag? (duopolie, kartel, spelboom, verwachte waarde boete)
- Vraag 21 (1p) — vraag (pay-off matrix prijzen/omzet) + antwoordmodel — concepten: Marktvormen (heterogeen duopolie, marktaandeel) en Prijs, afzet en totale opbrengst (afzet afleiden uit omzet/prijs: TO/p=q) — “Bereken het marktaandeel van WOP, gemeten in afzet, in de uitgangssituatie” — gewicht: licht.
- Vraag 22 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Prijs, afzet en totale opbrengst (TO=p×q, regionale afzetweging) — “Laat met een berekening zien dat… WOP… een prijs van 6 euro moet rekenen om eenzelfde omzet te behalen” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 23 (2p) — vraag (boeteregeling + spelboom figuur 1) + antwoordmodel + aanvulling correctievoorschrift — concepten: Risico en risicoaversie (verwachte waarde van de boete: kans × uitkomst) en Gevangenendilemma/Speltheorie pay-off matrix en spelboom (kartelcontext) — “Verklaar de uitkomst van de spelsituatie waarbij beide bedrijven ervoor kiezen om niet te melden” — gewicht: gemiddeld. Let op: aanvulling bepaalt dat hier altijd 2 scorepunten worden toegekend, ongeacht het gegeven antwoord (vraagstelling niet eenduidig).
- Vraag 24 (2p) — vraag (spelboom) + antwoordmodel — concepten: Nash-evenwicht en Speltheorie pay-off matrix en spelboom (dominante strategie, eerst melden om hogere boete te ontlopen) — “Leg de gedachtegang van de directrice uit” — gewicht: gemiddeld.
Opgave 6 — Een welverdiende oude dag (levensloopmodel, tijdsvoorkeur, pensioenstelsel, beleggen)
- Vraag 25 (2p) — vraag (figuur 1: levensloopmodel) + antwoordmodel — concept: Intertemporele ruil — “Geef een verklaring voor de beschreven koppeling” (negatief vermogen bij start arbeidsmarkt gekoppeld aan hoger verdienpotentieel, bv. studieschuld voor hogere opleiding) — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 26 (1p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Rente als prijs van tijd en Intertemporele ruil (tijdsvoorkeur) — “Zal bij een toename van de tijdsvoorkeur… punt b hoger of lager komen te liggen? Licht het antwoord toe” — gewicht: licht.
- Vraag 27 (2p) — vraag (figuur 1, punten a/b) + antwoordmodel — concept: Voorraad- en stroomgrootheden (financieel vermogen = voorraadgrootheid, verdienpotentieel/consumptie = stroomgrootheid, onderlinge samenhang in het model) — “Bereken welk percentage van het bruto-inkomen wordt geconsumeerd in de periode vóór de pensionering” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 28 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel) — “Ondersteun de bewering van de econoom met een argument… vóór de pensionering en een argument… ná de pensionering” (lagere AOW-achtige uitkering → punt b hoger) — gewicht: zwaar (kernvraag over gevolgen lagere omslagstelsel-uitkering).
- Vraag 29 (3p) — vraag + antwoordmodel — concepten: Beleggen — rendement en risico en Risico en risicoaversie — “Verklaar dit verschil in advies aan jongere en oudere werknemers” (aandelen vs. obligaties/betaalrekening, beleggingshorizon en koersrisico) — gewicht: zwaar.
Telling per concept (aantal vragen waarin geraakt, incl. secundaire raakvlakken)
| Concept | # vragen | Vraagnummers |
|---|---|---|
| Arbeidsmarkt aanbod en vraag | 3 | 1, 2, 20 |
| Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer | 3 | 3, 18(sec), 19 |
| IS-MB-GA-model — conjunctuuranalyse | 3 | 6, 7, 8 |
| Prijs, afzet en totale opbrengst | 3 | 12, 21(sec), 22 |
| Speltheorie pay-off matrix en spelboom | 3 | 13, 23(sec), 24 |
| Betalingsbalans | 2 | 3(sec), 18 |
| Nash-evenwicht | 2 | 13(sec), 24 |
| Risico en risicoaversie | 2 | 23, 29(sec) |
| Intertemporele ruil | 2 | 25, 26(sec) |
| Rekenvaardigheden economie | 2 | 2(sec), 17(sec) |
| Totale factorproductiviteit | 1 | 4 |
| Monetair beleid en de ECB | 1 | 5 |
| GA-curve | 1 | 9 |
| Conjunctuur en output gap | 1 | 9 |
| Kruislingse elasticiteit | 1 | 10 |
| Betalingsbereidheid | 1 | 11 |
| Averechtse selectie en moral hazard | 1 | 14 |
| Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies | 1 | 15 |
| Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK) | 1 | 16 |
| Bbp en berekeningsmethoden | 1 | 17 |
| Inkomensongelijkheid (Gini en percentielenratio) | 1 | 20 |
| Marktvormen | 1 | 21 |
| Gevangenendilemma | 1 | 23(sec) |
| Rente als prijs van tijd | 1 | 26 |
| Voorraad- en stroomgrootheden | 1 | 27 |
| Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel) | 1 | 28 |
| Beleggen — rendement en risico | 1 | 29 |
Meest bevraagde concepten dit tijdvak (zwaar/veelvuldig): Arbeidsmarkt aanbod en vraag, Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer, IS-MB-GA-model — conjunctuuranalyse (volledige opgave 2 rond het GV-transmissieschema), Prijs, afzet en totale opbrengst, Speltheorie pay-off matrix en spelboom / Nash-evenwicht (opgave 3 en 5 samen 5 vragen). Bijzonderheid dit tijdvak: twee vragen (12 en 23) kregen via een officiële aanvulling op het correctievoorschrift altijd de volle score wegens onduidelijke vraagstelling.