CE Economie VWO 2021 – Tijdvak III — Digest

Bron: Examenbundel_Compleet_VWO_Economie.pdf, p. 332–356 (pdftotext -f 332 -l 356). Opgaven + correctievoorschrift (incl. beoordelingsmodel + bronvermeldingen). 29 vragen, 58 punten, 6 opgaven. Geen aparte uitwerkbijlage. Geen aanvulling op het correctievoorschrift aangetroffen in dit paginabereik — beoordelingsmodel loopt door tot en met vraag 29 en sluit af met de bronvermelding van opgave 3 (De Nederlandsche Bank, Occasional Studies 16/8, 2018).


Opgave 1 — Vrouwenvoetbal (begrotingsregel, beloningsvarianten, averechtse selectie/moral hazard)

Vraag 1 (2p) — vraag Concept: Betalingsbereidheid, met Arbeidsmarkt aanbod en vraag als decor (marktwaarde van speelsters) Format: “De voorzitter van de bond stelt dat deze begrotingsregel invloed heeft op de marktwaarde van speelsters. Leg uit hoe de begrotingsregel invloed heeft op de marktwaarde van speelsters.” — antwoordmodel redeneert expliciet via daling van de betalingsbereidheid van clubs (minder budget) bij gelijkblijvend aanbod. Gewicht: zwaar (Betalingsbereidheid, letterlijk genoemd in het antwoordmodel); licht (Arbeidsmarkt aanbod en vraag, decor).

Vraag 2 (2p) — vraag Concept: Averechtse selectie en moral hazard Format: “Directeur Verheijen verwacht dat er bij het aanbieden van variant 1 [vast salaris] eerder averechtse selectie kan optreden dan bij variant 2 [variabel]. Leg de verwachting van directeur Verheijen uit.” Gewicht: zwaar.

Vraag 3 (2p) — vraag Concept: Averechtse selectie en moral hazard Format: “Leg uit welke variant directeur Verheijen zal kiezen om moral hazard te verminderen.” Gewicht: zwaar.

Vraag 4 (2p) — vraag Concept: Winstmaximalisatie en break-even, met Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK) als rekenbasis (TO = TK oplossen) Format: “Bereken met hoeveel procent het bezoekersaantal moet stijgen om break-even te bereiken, als de nieuwe speelster gecontracteerd wordt met beloningsvariant 1.” Gewicht: zwaar (Winstmaximalisatie en break-even, break-evenpunt is de kernvraag); gemiddeld (Kostensoorten, nodig om de TO=TK-vergelijking op te stellen uit tabel 1).

Vraag 5 (2p) — vraag Concept: Berovingsprobleem en verzonken kosten Format: “Hij voorziet wel een berovingsprobleem… Leg uit hoe de maatregel van directeur Verheijen het berovingsprobleem deels kan beperken.” — exacte terminologie: specifieke investering in jeugdopleiding die niet wordt terugverdiend bij vroegtijdig vertrek. Gewicht: zwaar.


Opgave 2 — Pensioenleeftijd (AOW, aanvullend pensioen, omslag- vs. kapitaaldekkingsstelsel)

Vraag 6 (2p) — vraag Concept: Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel) Format: “Leg voor beide ontwikkelingen [A: meer gepensioneerden bij gelijkblijvende beroepsbevolking; B: stijgende levensverwachting] uit of deze tot financieringsproblemen leiden bij de aanvullende pensioenen.” — antwoordmodel onderscheidt expliciet het kapitaaldekkingsstelsel (eigen opgebouwd kapitaal, ontwikkeling A geen probleem) van het effect van langere uitkeringsduur (ontwikkeling B wel een probleem). Gewicht: zwaar.

Vraag 7 (2p) — vraag Concept: Begrotingssaldo en Stabiliteits- en groeipact Format: “Geef twee oorzaken waarom het verlagen van de pensioenleeftijd kan leiden tot een verslechtering van het overheidssaldo.” — minder premie-inkomsten + hogere uitkeringslasten. Gewicht: gemiddeld.

Vraag 8 (2p) — vraag (verwijst naar figuur 1, pijlen a–d) Concept: Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel), met Rente als prijs van tijd (langere beleggingsduur verhoogt opgebouwd kapitaal) Format: “Geef op basis van figuur 1 de drie verklaringen waarom de premie voor het aanvullend pensioen kan worden verlaagd.” — pijl a (langer beleggen), pijlen b/c (kortere uitkeringsduur, langere premieduur). Gewicht: zwaar (Pensioenstelsels, kernmechanisme kapitaaldekking); licht (Rente als prijs van tijd, beleggingsopbrengst-element).

Vraag 9 (2p) — vraag Format: “De premies voor het aanvullend pensioen en de AOW moeten worden verhoogd… De export kan hierdoor onder druk komen te staan. Leg de vrees van de econoom uit.” — mechanisme (hogere looneisen → hogere loonkosten → hogere prijzen → lagere export) raakt geen specifieke Stap 1-notitie in de Vault direct (geen aparte notitie over internationale concurrentiepositie/loonkosten); niet opgenomen in de telling.

Vraag 10 (2p) — vraag (met formule voor het AOW-premiepercentage) Concept: Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel) Format: “De politicus beweert: ‘Als door de verhoging van de AOW-leeftijd de verhouding tussen de AOW-gerechtigden en de werkenden gelijk kan blijven, dan kan de AOW welvaartsvast worden zonder lastenverzwaring.’ Leg de bewering uit met behulp van de formule.” — omslagstelsel AOW, teller/noemer-redenering. Gewicht: zwaar (expliciete rekenformule met omslagstelsel-logica; scoring uitsluitend 0 of 2 punten).


Opgave 3 — Een CO2-taks (CO2-lek, prijselasticiteit, belastingincidentie, macro-effecten)

Vraag 11 (2p) — vraag Concept: Externe effecten Format: “Geef een verklaring voor het ontstaan van het CO2-lek.” — bedrijven verplaatsen productie/afzet naar landen zonder CO2-taks, mondiale uitstoot (de externaliteit) daalt niet. Gewicht: gemiddeld (scoring uitsluitend 0 of 2 punten).

Vraag 12 (2p) — vraag Concept: Externe effecten Format: “Een DNB-econoom stelt dat de CO2-taks juist bij de exportbedrijven een grote rol kan spelen bij het terugdringen van de mondiale CO2-uitstoot. Leg de stelling… uit.” — prikkel tot duurzame innovatie verlaagt de externaliteit. Gewicht: licht.

Vraag 13 (2p) — vraag (figuur 1: openheid van bedrijfstakken) Format: “Verklaar dat een Nederlandse CO2-taks ook effect heeft op het prijspeil in het buitenland.” — doorwerking via exportprijzen van (half)fabricaten naar buitenlandse verkoopprijzen; raakt geen specifieke Stap 1-notitie in de Vault direct; niet opgenomen in de telling.

Vraag 14 (2p) — vraag (figuur 1) Concept: Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies, met Marktvormen (internationale concurrentiegevoeligheid/substituten per sector) Format: “De DNB-econoom stelt op basis van figuur 1 dat de invoering van een CO2-taks een sterker negatief effect heeft op de winstgevendheid van de chemiesector dan op de winstgevendheid van de bouwsector. Onderbouw deze stelling op basis van figuur 1.” — mate van doorberekening van een heffing hangt af van internationale concurrentiedruk/substitutiemogelijkheden. Gewicht: gemiddeld (Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies, incidentie van de heffing); licht (Marktvormen, decor).

Vraag 15 (2p) — vraag Concept: Prijselasticiteit van de vraag, met Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies (doorberekening van de heffing aan de consument) Format: “Toon met een berekening aan of de bewering van de DNB-econoom juist is [dat meer dan driekwart van de CO2-taks wordt doorberekend aan de consument].” — %Δprijs = %Δq / Ped, vervolgens doorberekeningspercentage t.o.v. de taks van 2,5%. Gewicht: zwaar (Prijselasticiteit van de vraag, kernberekening); gemiddeld (Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies, incidentie-conclusie).

Vraag 16 (1p) — vraag (tabel 1: macro-economische effecten per bestemming) Concept: Conjunctuurpolitiek — begrotingsbeleid Format: “De DNB-econoom concludeert dat de overheid die bestemming moet kiezen waarbij de macro-economische effecten per saldo het minst negatief uitpakken. Leg uit welke bestemming leidt tot de minst negatieve macro-economische effecten.” — vergelijking van verlaging inkomstenbelasting/winstbelasting/verbetering begrotingssaldo op bbp, consumptie, investeringen, uitvoer, werkloosheid. Gewicht: gemiddeld.


Opgave 4 — Gezonde zorg (kostenfunctie ziekenhuis, onderhandelingsmacht, berovingsprobleem)

Vraag 17 (2p) — vraag (kostenfunctie TK = 101Q² – 10Q + 3.500) Concept: Winstmaximalisatie en break-even, met Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK) als rekenbasis (MK = TK’) Format: “Bereken het aantal behandelingen per dag waarbij het verlies minimaal is bij een prijs van € 1.000 per behandeling.” — minimaal verlies bij MO = MK. Gewicht: zwaar (Winstmaximalisatie en break-even, MO=MK-voorwaarde); gemiddeld (Kostensoorten, afleiden van MK uit TK).

Vraag 18 (2p) — vraag Concept: Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK), met Winstmaximalisatie en break-even (winst als percentage van omzet) Format: “Bereken de prijs van deze behandeling als het ziekenhuis akkoord gaat met de voorwaarden van de zorgverzekeraars [10 behandelingen/dag, constante kosten +20%, winst = 15% van omzet].” Gewicht: zwaar (Kostensoorten, nieuwe TK-vergelijking en GO-berekening); gemiddeld (Winstmaximalisatie en break-even, winstmargevoorwaarde).

Vraag 19 (2p) — vraag Concept: Berovingsprobleem en verzonken kosten Format: “Leg uit dat het ziekenhuis een meerjarig contract moet eisen om een berovingsprobleem te vermijden.” — specifieke investering + dreiging van de zorgverzekeraars om een ander ziekenhuis te benaderen. Gewicht: zwaar (exacte terminologie).

Vraag 20 (2p) — vraag Concept: Marktvormen, met Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK) (verdeling constante kosten over minder behandelingen bij meer aanbieders) en Marktmacht en welvaartsverlies (Harberger-driehoek) als achterliggend kader Format: “Leg beide argumenten van de conclusie van de redactrice uit [oligopolistische zorgverzekeraarsmarkt / aantal ziekenhuizen dat de behandeling kan uitvoeren].” Gewicht: gemiddeld (Marktvormen, marktmacht zorgverzekeraars en aanbodconcentratie ziekenhuizen); licht (Kostensoorten, GTK-effect bij meer aanbieders; Marktmacht en welvaartsverlies, decor).


Opgave 5 — Maatregelen die werken (vergrijzing, arbeidsdeelname, arbeidsaanbod, pensioenleeftijd)

Vraag 21 (2p) — vraag (figuur 1, met formule voor arbeidsdeelname) Concept: Arbeidsmarkt aanbod en vraag Format: “Bereken hoeveel procent de beroepsbevolking naar verwachting krimpt in de periode 2020 tot 2040.” — beroepsbevolking herleiden uit arbeidsdeelname × beroepsgeschikte bevolking (indexcijfers), voor beide jaren. Gewicht: gemiddeld.

Vraag 22 (3p) — vraag Concept: Arbeidsmarkt aanbod en vraag Format: “Verklaar beide beweringen van het onderzoek [1: ontwikkeling arbeidsdeelname kan leiden tot loonkosteninflatie; 2: zonder groei van de arbeidsproductiviteit kan loonkostenstijging een negatief effect hebben op de economische groei].” — dalend arbeidsaanbod bij gegeven vraag verhoogt het loon; loonkosten zonder productiviteitsgroei tasten de concurrentiepositie en dus de bbp-groei aan. Gewicht: zwaar (3p, meerstaps vraag-aanbodredenering met loonkosteninflatie als kernbegrip).

Vraag 23 (2p) — vraag Concept: Individuele en collectieve aanbodlijn Format: “Geef twee verschillende verklaringen waarom het arbeidsaanbod van de oudste groep hoogopgeleiden nu en over 40 jaar zal dalen.” — substitutie-effect (hoger loon geruild voor vrije tijd) en inkomenseffect via pensioenopbouw. Gewicht: zwaar (kernmechanismen substitutie-/inkomenseffect op het arbeidsaanbod).

Vraag 24 (2p) — vraag Concept: Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel), met Individuele en collectieve aanbodlijn (prikkel om eerder te werken/later te stoppen) Format: “Verklaar hoe deze maatregel [pensioenuitkering start na 45 dienstjaren i.p.v. bij 70 jaar] een positief effect kan hebben op de arbeidsdeelname van zowel de jongere als de oudere hoogopgeleiden.” Gewicht: gemiddeld voor beide concepten.

Vraag 25 (2p) — vraag Concept: Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel), met Totale factorproductiviteit (effect op gemiddelde arbeidsproductiviteit) Format: “Leg de verwachting van de econoom uit [positief gevolg voor de houdbaarheid van het pensioenstelsel, mogelijk negatief gevolg voor de gemiddelde arbeidsproductiviteit].” Gewicht: gemiddeld voor beide concepten.


Opgave 6 — De Afrikaanse euro-variant (CFA-frank, wisselkoers, monetair beleid, importheffing)

Vraag 26 (2p) — vraag Concept: Betalingsbalans Format: “Geef de oorzaak van de appreciatie van de CFA-frank ten opzichte van de dollar [ondanks een tekort op de lopende rekening].” — overschot op de kapitaalrekening groter dan het tekort op de lopende rekening, netto vraagoverschot naar CFA-frank. Gewicht: zwaar.

Vraag 27 (2p) — vraag Concept: Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer, met Nominale versus reële grootheden (reële rente = nominale rente – inflatie) Format: “Leg uit waarom het beleid van de centrale bank [lage inflatie bij relatief hoge nominale rente] de totale investeringen in de CFA-landen zowel positief als negatief heeft beïnvloed.” — hoge nominale rente trekt kapitaal aan (positief voor investeringsfinanciering) maar hoge reële rente remt investeringen af (negatief). Gewicht: zwaar (Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer, kapitaalimportmechanisme); gemiddeld (Nominale versus reële grootheden, reële-rente-afleiding).

Vraag 28 (2p) — vraag Concept: Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer Format: “Leg uit hoe de centrale bank intervenieert op de valutamarkt en welk gevolg dit heeft voor de omvang van de valutareserve.” — eigen munt depreciëren door aanbod eigen munt te verhogen (buitenlandse valuta opkopen), valutareserve stijgt. Gewicht: zwaar (scoring uitsluitend 0 of 2 punten).

Vraag 29 (2p) — vraag Concept: Betalingsbalans, met Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies (importheffing) en Strategisch inzicht (sequentieel spel: retaliatie door het buitenland) Format: “Leg uit hoe de overheden van de CFA-landen via de importheffing het tekort op de lopende rekening op korte termijn kunnen verminderen en tevens op langere termijn juist kunnen vergroten.” — antwoordmodel noemt expliciet een “sequentieel spel” als het buitenland ook importheffingen instelt. Gewicht: gemiddeld voor Betalingsbalans en Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies (kern van de korte- en langetermijnredenering); licht voor Strategisch inzicht (één van drie mogelijke lange-termijnverklaringen in het antwoordmodel).


Vragen zonder duidelijke Stap 1-notitie-match

  • Vraag 9 — loonkosten/concurrentiepositie-mechanisme (export onder druk door hogere pensioenpremies) heeft geen eigen Stap 1-notitie in de Vault.
  • Vraag 13 — doorwerking van een Nederlandse CO2-taks op het buitenlandse prijspeil via exportprijzen heeft geen eigen Stap 1-notitie in de Vault.

Telling per concept (aantal vragen waarin geraakt, dit tijdvak)

Concept# vragenVraagnummersGewicht
Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel)56, 8, 10, 24, 25zwaar
Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK)44, 17, 18, 20zwaar/gemiddeld
Winstmaximalisatie en break-even34, 17, 18zwaar
Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies314, 15, 29gemiddeld
Arbeidsmarkt aanbod en vraag31, 21, 22gemiddeld/zwaar
Averechtse selectie en moral hazard22, 3zwaar
Berovingsprobleem en verzonken kosten25, 19zwaar
Externe effecten211, 12gemiddeld/licht
Individuele en collectieve aanbodlijn223, 24zwaar/gemiddeld
Betalingsbalans226, 29zwaar/gemiddeld
Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer227, 28zwaar
Marktvormen214, 20licht/gemiddeld
Betalingsbereidheid11zwaar
Begrotingssaldo en Stabiliteits- en groeipact17gemiddeld
Rente als prijs van tijd18licht
Prijselasticiteit van de vraag115zwaar
Conjunctuurpolitiek — begrotingsbeleid116gemiddeld
Marktmacht en welvaartsverlies (Harberger-driehoek)120licht
Totale factorproductiviteit125gemiddeld
Nominale versus reële grootheden127gemiddeld
Strategisch inzicht129licht

21 van de ~78 Stap 1-concepten geraakt in dit tijdvak. Duidelijk zwaartepunt op pensioeneconomie (opgave 2 volledig + terugkerend in opgave 5: Pensioenstelsels 5×) en op kostprijs-/winstberekeningen (Kostensoorten en Winstmaximalisatie en break-even samen in opgave 1 en opgave 4). Informatie-asymmetrie-thema’s (averechtse selectie, moral hazard, berovingsprobleem) komen terug in zowel opgave 1 als opgave 4, telkens met exacte terminologie in het antwoordmodel. Van de 29 vragen blijven er 2 (vraag 9 en 13) zonder directe match met een bestaande Stap 1-notitie.