CE Economie VWO 2023 – Tijdvak II — Digest

Bron: Examenbundel_Compleet_VWO_Economie.pdf, p. 161–189 (opgaven + uitwerkbijlage + correctievoorschrift, incl. beoordelingsmodel). 29 vragen, 58 punten, 6 opgaven. Losse uitwerkbijlage aanwezig, gebruikt bij vraag 9 (arceren figuur A/B) en vraag 23 (tekenen IS1/MB1/GA1 in figuur C) — dit zijn de enige twee vragen dit tijdvak met een tekenopdracht i.p.v. een tekstueel antwoord. Geen aanvulling op het correctievoorschrift binnen dit paginabereik (eindigt direct met “5 Aanleveren scores” / “6 Bronvermeldingen”).

Vakspecifieke regel dit tijdvak (relevant voor Rekenvaardigheden economie): geen puntenaftrek voor rekenfouten (tenzij evident onvoldoende schattingscontrole, max. 3p aftrek examenbreed); elke correcte afrondingswijze goedrekenen. Het correctievoorschrift geeft dit expliciet vorm bij vraag 2 (Opmerking: rekenen met 19% i.p.v. 1,01^19, of met 20 i.p.v. 19 jaar, levert max. 1 scorepunt op — geen 0), vraag 12 (Opmerking: rekenen met onafgeronde prijs € 1,404 ook goedrekenen) en vraag 13 (Opmerking: onafgeronde prijs € 1,455 ook goedrekenen).

CV-kwaliteitsissue om te signaleren: bij vraag 12 berekent het beoordelingsmodel Ev ≈ 1,7 maar concludeert vervolgens tekstueel “De elasticiteit is kleiner dan 1, dus is het prijselastisch” — dit is een innerlijk tegenstrijdige/foutieve zin in het correctievoorschrift (1,7 is niet kleiner dan 1, en prijselastisch vereist juist E > 1). Voor toetsing: reken met de uitkomst Ev = 1,7 > 1 ⇒ prijselastisch, niet met de letterlijke tekst.


Opgave 1 — Macro-economische ontwikkelingen

Vraag 1 (1p) — vraag Concept: Economische kringloop Format: “Laat met een berekening zien dat het nationaal inkomen € 350 miljard bedraagt” — Y = C + I + O + E − M uit het kringloopmodel (figuur 1). Gewicht: licht (1p, directe invulsom).

Vraag 2 (2p) — vraag Concept: Structurele economische groei Format: “Heeft het land… beter of slechter dan het beschreven trendmatige gemiddelde… gepresteerd? Motiveer je keuze met een berekening” — vergelijking samengestelde trendgroei (1,01^19) met werkelijke procentuele groei van Y tussen 2000 en 2019. Gewicht: gemiddeld (kernberekening, met expliciete CV-coulance voor afrondingsvarianten).

Vraag 3 (2p) — vraag Concept: Economische kringloop, met Begrotingssaldo en Stabiliteits- en groeipact als rekenbasis Format: “Leg aan de hand van het kringloopmodel uit of de overheid… een positieve of negatieve bijdrage heeft geleverd aan het totaal van de bestedingen” — overheidssaldo B − O bepalen en de vraaguitval via B tegenover de bestedingsimpuls via O afwegen. Gewicht: gemiddeld (Economische kringloop), licht (Begrotingssaldo en Stabiliteits- en groeipact — het saldo wordt berekend maar het EMU-normatieve kader zelf wordt niet bevraagd).

Vraag 4 (2p) — vraag Concept: Betalingsbalans, met Conjunctuurpolitiek — begrotingsbeleid als kern van de redenering Format: “Leg de bewering van de onderzoekers uit” — positief nationaal spaarsaldo/overheidssaldo geeft begrotingsruimte om het handelsoverschot te beperken (hogere overheidsbestedingen ⇒ hoger inkomen ⇒ hogere import ⇒ conjunctuurimpuls bij buurlanden). Gewicht: gemiddeld voor beide (tweeledig antwoordmodel: eigen conjunctuur én buurlanden-conjunctuur).

Vraag 5 (2p) — vraag Concept: Structurele economische groei + Totale factorproductiviteit Format: “Leg de conclusie van de onderzoekers uit. Betrek de totale factorproductiviteit in je antwoord” — R&D-investeringen verhogen TFP bij gelijkblijvende inzet van productiefactoren, wat de structurele groei bevordert. Gewicht: gemiddeld voor beide (TFP wordt letterlijk als verplicht onderdeel geëist).


Opgave 2 — Markt voor hoger onderwijs

Vraag 6 (1p) — vraag Concept: Risico en risicoaversie Format: “Verklaar hoe de voorwaarde het leenrisico van een student vermindert” — langere aflossingsperiode (35 jaar) geeft ruimte om aflossingen uit te stellen bij tegenvallend inkomen. Gewicht: licht (1p, korte redenering).

Vraag 7 (2p) — vraag Concept: Intertemporele ruil Format: “Leg uit dat het leenstelsel op termijn een positief effect heeft op de consumptieve bestedingen” — lenen nu voor scholing, hogere toekomstige verdiencapaciteit die de rente-/aflossingsverplichtingen overtreft. Gewicht: gemiddeld.

Vraag 8 (2p) — vraag Concept: Inkomensongelijkheid (Gini en percentielenratio) Format: “Leg uit op welke wijze de vermogensverdeling tussen huishoudens werd beïnvloed” — studenten uit lage-inkomenshuishoudens betalen hogere rente (wanbetalingsrisico) ⇒ negatiever vermogen ⇒ vermogensongelijkheid neemt toe. (De notitie noemt vermogensongelijkheid expliciet als aparte maatstaf naast inkomensongelijkheid.) Gewicht: gemiddeld.

Vraag 9 (2p) — vraag + uitwerkbijlage (figuur A/B) Concept: Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies + Consumenten- en producentensurplus Format: “Arceer… het subsidiebedrag (figuur A)” en “Arceer… het verloren surplus (figuur B)” — tekenopdracht in het vraag-/aanbodmodel van collegegeld. Gewicht: zwaar voor beide (grafische kernvraag, twee losse deelscores voor twee losse arceringen).

Vraag 10 (2p) — vraag Concept: Externe effecten + Brede welvaart en maatschappelijke welvaart Format: “Leg de stelling van het PB uit” — positief extern effect van hoger onderwijs (hogere productiviteit / betere goederen en diensten) komt niet in de collegegeldprijs tot uiting maar wel ten goede aan de maatschappij ⇒ hogere brede welvaart. Gewicht: gemiddeld voor beide.

Vraag 11 (2p) — vraag Concept: In- en uitverdieneffecten Format: “Leg uit dat er inverdieneffecten optreden door de subsidie op het collegegeld” — hogere overheidsbestedingen nu, later hogere belastingontvangsten via beter betaalde afgestudeerden. Gewicht: zwaar (letterlijke, directe toepassing van het concept).


Opgave 3 — Kostenpost

Vraag 12 (2p) — vraag Concept: Prijselasticiteit van de vraag Format: “Toon met een berekening aan dat de vraag naar brievenpost… prijselastisch is” — %ΔQ berekenen bij 10% tariefsverlaging en delen door %ΔP. Gewicht: gemiddeld (rekenvraag; let op de tegenstrijdige conclusietekst in het CV, zie noot bovenaan).

Vraag 13 (3p) — vraag Concept: Winstmaximalisatie en break-even + Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK) Format: “Toon met een berekening aan dat de winst per product… lager is dan 10% van de GTK” — MO afleiden uit de vraagfunctie, winstmaximaliserende Q bij MO = MK, vervolgens GO en GTK vergelijken. Gewicht: zwaar voor beide (3p, meerstaps rekenvraag die beide concepten combineert).

Vraag 14 (2p) — vraag Concept: Prijselasticiteit van de vraag, met Prijs, afzet en totale opbrengst als omzetlogica Format: “Leg uit of het mogelijk is om de omzet te verhogen door een aanpassing van het posttarief” — prijselastisch bij verhoging én prijsinelastisch bij verlaging leiden hier beide tot omzetdaling. Gewicht: gemiddeld voor beide.

Vraag 15 (2p) — vraag Concept: Prijs, afzet en totale opbrengst Format: “Leg… uit hoe er kan worden afgeleid dat er sprake kan zijn geweest van kruissubsidie” — vergelijking van de procentuele ontwikkeling van afzet versus omzet (indexcijfers) op twee deelmarkten om relatieve prijsveranderingen af te leiden. Gewicht: gemiddeld (geen aparte notitie voor “kruissubsidie” zelf; de afzet/omzet-redenering is de dekkende notitie).

Vraag 16 (3p) — vraag Concept: Principaal-agentrelatie + Asymmetrische informatie Format: “Beschrijf het principaal-agent probleem tussen PostNV en de overheid én leg uit hoe toezicht… dit kan verminderen” — overheid (principaal) vs. PostNV (agent, eigen winstdoel), toezicht vermindert asymmetrische informatie. Gewicht: zwaar (Principaal-agentrelatie, 3p kernvraag), gemiddeld (Asymmetrische informatie, expliciet in het antwoordmodel als verklarend mechanisme).


Opgave 4 — Doelbewust depreciëren

Vraag 17 (2p) — vraag Concept: Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer Format: “Bereken de wisselkoers van de dollar in yen voor de depreciatie” — herleiden uit de dollarwaarde van de yen na 20% depreciatie. Gewicht: gemiddeld (rekenvraag, geen dieper mechanisme bevraagd).

Vraag 18 (2p) — vraag Concept: Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer Format: “Leg uit hoe het rentebeleid van de JCB leidt tot een depreciatie van de yen ten opzichte van de dollar” — lagere rente ⇒ minder buitenlandse vraag naar yen / meer binnenlands aanbod van yen ⇒ depreciatie. Gewicht: zwaar (kernmechanisme rente–kapitaalstroom–wisselkoers, letterlijk het onderwerp van de opgave).

Vraag 19 (2p) — vraag Concept: Nominale versus reële grootheden, met Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer als aanleiding Format: “Leg de stelling van de woordvoerder uit” — hogere dollarkoers ⇒ goedkopere import ⇒ bij doorberekening in verkoopprijzen hoger reëel inkomen (koopkracht) Amerikaanse huishoudens. Gewicht: gemiddeld voor beide.

Vraag 20 (3p) — vraag Concept: Nash-evenwicht + Speltheorie pay-off matrix en spelboom + Conjunctuur en output gap Format: “Leg de conclusies uit en gebruik getallen uit de spelboom voor het aantonen van het Nash-evenwicht” — dominante strategieën aflezen uit de spelboom (JCB/FED monetair beleid), Nash-evenwicht bepalen, en het gevolg voor bestedingsinflatie/concurrentiepositie bij gelijktijdige hoogconjunctuur. Gewicht: zwaar voor Nash-evenwicht en Speltheorie pay-off matrix en spelboom (3p, expliciete spelboomanalyse), gemiddeld voor Conjunctuur en output gap (het hoogconjunctuur-gegeven stuurt het tweede/derde scorepunt).


Opgave 5 — Vertrouwen

Vraag 21 (2p) — vraag Concept: Keynesiaans kruis Format: “Leg uit dat het inkomen sterker daalt dan de autonome bestedingen” — multipliereffect: lagere autonome bestedingen ⇒ lagere effectieve vraag ⇒ lager inkomen ⇒ verdere daling consumptie. Gewicht: zwaar (directe, klassieke toepassing van het multipliermechanisme).

Vraag 22 (2p) — vraag Concept: GA-curve, met Conjunctuur en output gap als aanleiding (expliciet “negatieve output gap” in de vraagtekst) Format: “Leg aan de hand van de GA-curve uit dat de productie door de schok daalt” — lagere inflatie dan verwacht ⇒ hogere reële productiekosten (lonen/inkoopprijzen liggen vast) ⇒ productie daalt. Gewicht: zwaar (GA-curve), licht (Conjunctuur en output gap — alleen de context, niet zelf berekend/getekend).

Vraag 23 (2p) — vraag + uitwerkbijlage (figuur C) Concept: IS-curve + MB-curve + GA-curve Format: “Teken… de nieuwe IS-curve (IS1), MB-curve (MB1) en GA-curve (GA1) bij het nieuwe evenwicht” — renteverlaging centrale bank naar output gap = 0, met bijbehorende verschuivingen in alle drie de diagrammen. Gewicht: zwaar voor alle drie (grafische kernvraag van het IS-MB-GA-model, expliciet alle drie curven vereist).

Vraag 24 (2p) — vraag Concept: Economische scholen — Keynesianen, monetaristen en klassieken + MB-curve Format: “Leg het verschil uit tussen de monetaristen en de Keynesianen met betrekking tot het aanpassingsmechanisme” — monetaristen laten de MB-curve sterker verschuiven bij een inflatieverandering dan Keynesianen, wat sneller naar het evenwicht leidt. Gewicht: zwaar (Economische scholen — letterlijke kernvraag), gemiddeld (MB-curve — het verschil wordt uitgedrukt via de mate van MB-verschuiving).

Vraag 25 (2p) — vraag Concept: GA-curve Format: “Leg het pleidooi van de econoom uit” — kortere cao-looptijd ⇒ snellere prijsaanpassing ⇒ steilere GA-curve ⇒ economie komt sneller in evenwicht. Gewicht: gemiddeld.


Opgave 6 — De woningmarkt in de knel

Vraag 26 (1p) — vraag Concept: Prijsregulering (min- en maximumprijzen) Format: “Bereken hoeveel huishoudens op de wachtlijst staan” — vraagoverschot bij de maximumhuur: gevraagde hoeveelheid (uit GO-functie) minus woningvoorraad. Gewicht: licht (1p, directe berekening met een gegeven prijsplafond).

Vraag 27 (2p) — vraag Concept: Prijs, afzet en totale opbrengst, met Prijsregulering (min- en maximumprijzen) als toetsingskader Format: “Toon met een berekening aan of de stelling juist is” — omzetmaximalisatie bij MO = 0 (niet MO = MK), vervolgens toetsen of de resulterende huur boven of onder het bestaande vraagoverschot bij de maximumhuur uitkomt. Gewicht: gemiddeld voor beide (let op: dit is een omzetmaximalisatie-vraag, niet winstmaximalisatie — de notitie “Winstmaximalisatie en break-even” (MO=MK) is hier niet de dekkende notitie).

Vraag 28 (2p) — vraag Concept: Risico en risicoaversie Format: “Leg de onderbouwing van econoom Knopper uit” — lage hypotheekrente + stabiele verwachte huurinkomsten (grote vraag) ⇒ laag risico op wanbetaling van de hypothecaire schuld. Gewicht: gemiddeld.

Vraag 29 (2p) — vraag Concept: Inkomenselasticiteit van de vraag + Verschuiving van de vraaglijn + Verschuiving van de aanbodlijn Format: “Leg de verklaring van de makelaar uit aan de hand van gegevens uit tabel 2 én de inkomenselasticiteit” — vraagkant: inkomensstijging middeninkomens × positieve inkomenselasticiteit (+0,4) ⇒ vraagtoename; aanbodkant: 9,9% minder vrijgekomen woningen ⇒ aanbodafname. Beide effecten drijven de huur omhoog. Gewicht: zwaar voor alle drie (2p verdeeld over expliciet twee vereiste deelmechanismen, vraag- én aanbodzijde).


Telling per concept (aantal vragen waarin geraakt, dit tijdvak)

Concept# vragenVraagnummersGewicht
Prijs, afzet en totale opbrengst314, 15, 27gemiddeld
GA-curve322, 23, 25zwaar
Rekenvaardigheden economie32, 12, 13licht/meta (CV-Opmerkingen)
Economische kringloop21, 3licht/gemiddeld
Structurele economische groei22, 5gemiddeld
Risico en risicoaversie26, 28gemiddeld
Prijselasticiteit van de vraag212, 14gemiddeld
Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer217, 18gemiddeld/zwaar
Conjunctuur en output gap220, 22gemiddeld/licht
MB-curve223, 24zwaar/gemiddeld
Prijsregulering (min- en maximumprijzen)226, 27licht/gemiddeld
Begrotingssaldo en Stabiliteits- en groeipact13licht
Betalingsbalans14gemiddeld
Conjunctuurpolitiek — begrotingsbeleid14gemiddeld
Totale factorproductiviteit15gemiddeld
Intertemporele ruil17gemiddeld
Inkomensongelijkheid (Gini en percentielenratio)18gemiddeld
Overheidsingrijpen — heffingen en subsidies19zwaar
Consumenten- en producentensurplus19zwaar
Externe effecten110gemiddeld
Brede welvaart en maatschappelijke welvaart110gemiddeld
In- en uitverdieneffecten111zwaar
Winstmaximalisatie en break-even113zwaar
Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK)113zwaar
Principaal-agentrelatie116zwaar
Asymmetrische informatie116gemiddeld
Nominale versus reële grootheden119gemiddeld
Nash-evenwicht120zwaar
Speltheorie pay-off matrix en spelboom120zwaar
Keynesiaans kruis121zwaar
IS-curve123zwaar
Economische scholen — Keynesianen, monetaristen en klassieken124zwaar
Inkomenselasticiteit van de vraag129zwaar
Verschuiving van de vraaglijn129zwaar
Verschuiving van de aanbodlijn129zwaar

34 van de ~78 Stap 1-concepten geraakt in dit tijdvak. Niet geraakte, veelvoorkomende hoofdstuktitels (steekproef): Arbeidsmarkt aanbod en vraag, Automatische stabilisatoren, Averechtse selectie en moral hazard, Bbp en berekeningsmethoden, Belastingspreiding in de tijd, Belastingstelsel, Beleggen — rendement en risico, Berovingsprobleem en verzonken kosten, Categoriale inkomensverdeling en AIQ, Collectieve goederen en meeliftersgedrag, EMU en optimale valutagebieden, Financiële sector en risicoverschuiving, Geldschepping, Gevangenendilemma, Groen bbp, Herhaalde spelen en reputatie, Individuele en collectieve aanbodlijn, Individuele en collectieve vraaglijn, IS-MB-GA-model — conjunctuuranalyse, Kruislingse elasticiteit, Marktevenwicht, Marktmacht en welvaartsverlies (Harberger-driehoek), Marktvormen, Monetair beleid en de ECB, Nivelleren en denivelleren, Octrooien en patenten, Overheid en intertemporele ruil (staatsschuld), Pensioenstelsels (omslag- en kapitaaldekkingsstelsel), Prijsdiscriminatie, Prijs- en afzetbepaling per marktvorm, Productiefunctie, Rente als prijs van tijd, Strategisch inzicht, Totaal surplus en Pareto-efficiëntie, Trilemma van het monetair beleid, Verzekeren, Voorraad- en stroomgrootheden, Werkloosheidsoorten, Zelfbinding en geloofwaardige dreigingen.