2026 tijdvak 2 — Economie VWO — digest
Bron: CE-2026-vwo-Economie-tijdvak2-opgaven.pdf (VW-1022-a-26-2-o), CE-2026-vwo-Economie-tijdvak2-uitwerkbijlage.pdf (VW-1022-a-26-2-u, alleen figuur 1 bij vraag 4 en figuur 2 + tabel bij vraag 16), CE-2026-vwo-Economie-tijdvak2-correctievoorschrift.pdf (VW-1022-a-26-2-c). 29 vragen, 6 opgaven, max. 60 punten. Geen aanvulling op het correctievoorschrift aangetroffen (losse bestanden, geen erratumblad bijgevoegd). Alle drie bestanden volledig tekstlaag-leesbaar via pdftotext, geen pagina’s als afbeelding nodig.
Opgave 1 — Indiase rijst
- Vraag 1 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Verschuiving van de aanbodlijn (exportverbod vergroot het binnenlandse aanbod van rijst) — raakt ook Marktevenwicht (lagere evenwichtsprijs → effect op voedselzekerheid) — “Leg uit welk effect het exportverbod heeft op de voedselzekerheid in India” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 2 (3p) — vraag + antwoordmodel — concept: Nominale versus reële grootheden (prijsindexcijfer met wegingsfactor, nominale loonstijging, reële loonstijging/koopkracht) — “Bereken de verandering van de koopkracht in de periode 2019-2022 en beargumenteer of de voedselzekerheid is toegenomen of afgenomen” — gewicht: zwaar (3p, meerstaps kernberekening met vier elementen in het antwoordmodel).
- Vraag 3 (1p) — vraag + antwoordmodel — concept: Prijsdiscriminatie — “Noem een voorwaarde waaraan moet worden voldaan om op een markt prijsdiscriminatie te kunnen toepassen” — gewicht: licht.
- Vraag 4 (2p) — vraag + uitwerkbijlage (arceren in figuur 1) + antwoordmodel — concept: Prijsregulering (min- en maximumprijzen) (garantieprijs voor producenten + verlaagde verkoopprijs voor lage inkomens) — raakt ook Consumenten- en producentensurplus (het verlies van de overheid is het gearceerde vlak in het vraag-aanbodmodel) — “Arceer in figuur 1 in de uitwerkbijlage het verlies van de overheid” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 5 (3p) — vraag + antwoordmodel — concept: Consumenten- en producentensurplus (toename PS door prijsgarantie) — raakt ook Marktevenwicht (oude evenwicht oplossen via Qv=Qa) en Rekenvaardigheden economie (rekenfouten niet afgetrokken, mits schatting/controle) — “Bereken de toename van het producentensurplus in dollars door het programma” — gewicht: zwaar.
Opgave 2 — Krediet onderzocht
- Vraag 6 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Asymmetrische informatie (BLA onderzoekt kredietrisico namens aangesloten kredietverleners; antwoordmodel benadrukt overigens vooral specialisatie/schaalvoordeel, geen scherpe 1-op-1 match) — “Leg uit dat de inzet van het BLA de transactiekosten van kredietverleners per saldo kan verminderen” — gewicht: licht.
- Vraag 7 (1p) — vraag + antwoordmodel — geen duidelijke match met een bestaande Stap 1-notitie (kosten-batenafweging voor een minimale kredietgrootte; generieke bedrijfseconomische redenering, valt niet onder een van de 78 conceptnotities) — “Beargumenteer de keuze van het BLA om een minimale kredietgrootte te hanteren” — niet meegeteld in de eindtelling.
- Vraag 8 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Externe effecten (bemiddelingskosten van wanbetaling worden gedragen door de gemeente, een derde partij) — “Leg uit dat inzet van het BLA leidt tot lagere maatschappelijke kosten van kredietverlening” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 9 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Averechtse selectie en moral hazard — “Leg uit of premiedifferentiatie leidt tot een afname van averechtse selectie” — gewicht: zwaar (letterlijk kernbegrip, expliciet bevraagd).
- Vraag 10 (3p) — vraag + antwoordmodel — concept: Winstmaximalisatie en break-even (winst = omzet − kosten, vergelijking twee scenario’s) — raakt ook Rekenvaardigheden economie — “Bereken de verandering van de winst door de inzet van het BLA” — gewicht: zwaar.
- Vraag 11 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Monetair beleid en de ECB (krap monetair beleid → rente → winst kredietverlener bij rentevaste periode) — “Leg uit dat het voeren van krap monetair beleid door de centrale bank leidt tot een lagere winst voor de SVD op korte termijn” — gewicht: gemiddeld.
Opgave 3 — Flexibele inflatie
- Vraag 12 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Rente als prijs van tijd (tijdsvoorkeur bepaalt spaarquote) — “Leg uit dat een hoge tijdsvoorkeur ertoe kan leiden dat de spaarquote niet toeneemt” — gewicht: zwaar (letterlijk kernbegrip tijdsvoorkeur).
- Vraag 13 (1p) — vraag + antwoordmodel — concept: Marktvormen (marktmacht/gebrek aan concurrentie van banken) — “Geef een verklaring waarom marktmacht van banken ervoor zorgt dat de spaarrente niet stijgt” — gewicht: licht.
- Vraag 14 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: GA-curve (loon-/prijsflexibiliteit vertaalt zich in lagere prijzen) — “Leg uit dat het stimuleren van flexwerk kan leiden tot lagere prijzen” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 15 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: GA-curve — “Leg uit dat toegenomen flexibiliteit op de arbeidsmarkt leidt tot een verticaler verloop van de GA-curve” — gewicht: zwaar (letterlijke kernvraag, naam van het concept expliciet gebruikt).
- Vraag 16 (3p) — vraag + uitwerkbijlage (figuur 2: MB1 en GA1 tekenen + tabel met reële rente/inkomen/inflatie invullen) + antwoordmodel — concept: IS-MB-GA-model — conjunctuuranalyse — raakt ook MB-curve, GA-curve en Conjunctuur en output gap (laagconjunctuur, terugkeer naar evenwicht via één rentestap) — “Bepaal de evenwichten bij de nieuwe stabiele inflatie… Teken de nieuwe MB-curve (MB1) en GA-curve (GA1)” — gewicht: zwaar (3p, volledige tekenopdracht + tabel).
Opgave 4 — Waarvan akte
- Vraag 17 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Marktvormen (veel aanbieders, heterogeen product → monopolistische concurrentie) — “Beargumenteer aan de hand van twee kenmerken van welke marktvorm er sprake is op de markt van hypotheekakten” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 18 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Octrooien en patenten — “Beargumenteer dat het patent door de overheid: wel wordt verstrekt, maar een beperkte looptijd krijgt” — gewicht: zwaar (letterlijke kernvraag, beide aspecten van het concept expliciet bevraagd).
- Vraag 19 (3p) — vraag + antwoordmodel — concept: Prijs, afzet en totale opbrengst (omzet = prijs × afzet, oude vs. nieuwe situatie) — raakt ook Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK) (kostprijsopbouw uurloon/variabele kosten + winstopslag) en Rekenvaardigheden economie — “Bereken de procentuele verandering van Athena’s omzet als gevolg van de investering in AI” — gewicht: zwaar.
- Vraag 20 (1p) — vraag + antwoordmodel — concept: Externe effecten — “Geef een voorbeeld van een positief extern effect als gevolg van de inzet van AI bij hypotheekakten” — gewicht: licht.
Opgave 5 — Welkom Kroatië
- Vraag 21 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer (valutamarktinterventie: vreemde valuta opkopen → depreciatie → export stijgt) — raakt ook Trilemma van het monetair beleid (nog onafhankelijk monetair beleid vóór toetreding EMU) — “Leg uit dat de KCB in 2022, via interventies op de valutamarkt, onderbesteding kon verminderen” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 22 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: EMU en optimale valutagebieden (one-size-fits-all rentebeleid ECB werkt procyclisch voor een land in laagconjunctuur) — “Leg de stelling van de econoom uit” (procyclisch effect rentebeleid ECB op Kroatië) — gewicht: zwaar (letterlijke kern van het OCA-probleem, expliciet “procyclisch effect” bevraagd).
- Vraag 23 (2p) — vraag (figuur 3, geldstromen lopende rekening) + antwoordmodel — concept: Betalingsbalans (lopende rekening, nationaal spaarsaldo) — “Leg op basis van de geldstromen uit of het nationaal spaarsaldo van Kroatië in 2023 positief of negatief is” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 24 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Betalingsbalans (exportwaarde berekenen als aandeel van nationaal inkomen, voor/na toetreding) — raakt ook Rekenvaardigheden economie — “Toon met een berekening aan of toetreding tot de EU een positief effect heeft gehad op de exportwaarde van Kroatië” — gewicht: gemiddeld.
- Vraag 25 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Collectieve goederen en meeliftersgedrag (niet-rivaliserend, niet-uitsluitbaar) — “Leg uit dat de mededingingswet een collectief goed is” — gewicht: zwaar (letterlijke kernvraag, beide voorwaarden apart bevraagd en gescoord).
Opgave 6 — Klimaatbeleid
- Vraag 26 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Groen bbp — “Leg uit dat het voeren van klimaatbeleid per saldo kan zorgen voor een toename van het groen bbp” — gewicht: zwaar (letterlijke kernvraag).
- Vraag 27 (2p) — vraag (figuur 4, netto baten per land bij collectieve actie) + antwoordmodel — concept: Nash-evenwicht — “Noem de twee Nash-evenwichten als landen hun keuze om klimaatbeleid te voeren alleen baseren op hun eigen netto baten” — gewicht: zwaar (letterlijke kernvraag; antwoord = 0 landen / alle landen voeren beleid).
- Vraag 28 (2p) — vraag + antwoordmodel — concept: Overheid en intertemporele ruil (staatsschuld) (klimaatbeleid gefinancierd via hogere staatsschuld → toekomstige generaties betalen rente/aflossing = uitgestelde belastingheffing) — “Leg uit dat het voeren van klimaatbeleid zal leiden tot uitgestelde belastingheffing” — gewicht: zwaar (kernbegrip letterlijk in de vraag).
- Vraag 29 (3p) — vraag + antwoordmodel — concept: Principaal-agentrelatie (VN als principaal, landen als agent, tegengestelde belangen + oplossing via contract/boetes) — raakt ook Asymmetrische informatie (landen meten en rapporteren zelf hun resultaten) — “Leg het bovengenoemde principaal-agent probleem uit en noem een maatregel die dit risico zou kunnen verminderen” — gewicht: zwaar (3p, afsluitende vraag, expliciete principaal-agent-terminologie in zowel vraag als antwoordmodel).
Telling — hoe vaak elk concept voorkwam (dit tijdvak)
Als primair concept (hoofdmatch van de vraag):
| Concept | Aantal | Vragen |
|---|---|---|
| GA-curve | 2 | 14, 15 |
| Marktvormen | 2 | 13, 17 |
| Externe effecten | 2 | 8, 20 |
| Betalingsbalans | 2 | 23, 24 |
| Verschuiving van de aanbodlijn | 1 | 1 |
| Nominale versus reële grootheden | 1 | 2 |
| Prijsdiscriminatie | 1 | 3 |
| Prijsregulering (min- en maximumprijzen) | 1 | 4 |
| Consumenten- en producentensurplus | 1 | 5 |
| Asymmetrische informatie | 1 | 6 |
| Averechtse selectie en moral hazard | 1 | 9 |
| Winstmaximalisatie en break-even | 1 | 10 |
| Monetair beleid en de ECB | 1 | 11 |
| Rente als prijs van tijd | 1 | 12 |
| IS-MB-GA-model — conjunctuuranalyse | 1 | 16 |
| Octrooien en patenten | 1 | 18 |
| Prijs, afzet en totale opbrengst | 1 | 19 |
| Rente, wisselkoers en kapitaalverkeer | 1 | 21 |
| EMU en optimale valutagebieden | 1 | 22 |
| Collectieve goederen en meeliftersgedrag | 1 | 25 |
| Groen bbp | 1 | 26 |
| Nash-evenwicht | 1 | 27 |
| Overheid en intertemporele ruil (staatsschuld) | 1 | 28 |
| Principaal-agentrelatie | 1 | 29 |
Als secundair/raakvlak-concept (vraag draait om iets anders maar het concept speelt aantoonbaar mee):
| Concept | Vragen |
|---|---|
| Rekenvaardigheden economie | 2, 5, 10, 19, 24 |
| Marktevenwicht | 1, 5 |
| Consumenten- en producentensurplus | 4 |
| MB-curve | 16 |
| Conjunctuur en output gap | 16 |
| Kostensoorten (TK, TCK, TVK, GTK, MK) | 19 |
| Trilemma van het monetair beleid | 21 |
| Asymmetrische informatie | 29 |
Geen match gevonden: Vraag 7 (kosten-batenafweging minimale kredietgrootte — generieke bedrijfseconomische redenering, dekt geen van de 78 Stap 1-notities).
Totaal: 24 verschillende concepten geraakt als primaire match (28 van de 29 vragen dekken minstens één Stap 1-notitie; alleen vraag 7 blijft ongedekt). Zwaarst bevraagd dit tijdvak (letterlijke kernvraag over het concept, meestal 2-3p): Nominale versus reële grootheden, Consumenten- en producentensurplus, Averechtse selectie en moral hazard, Winstmaximalisatie en break-even, Rente als prijs van tijd, GA-curve (vraag 15), IS-MB-GA-model, Octrooien en patenten, Prijs afzet en totale opbrengst, EMU en optimale valutagebieden, Collectieve goederen en meeliftersgedrag, Groen bbp, Nash-evenwicht, Overheid en intertemporele ruil (staatsschuld), Principaal-agentrelatie.