Stap 2 — patroonextractie 2018, tijdvak 2 (VW-1002-a-18-2). Bron: pagina 652–697 van de bundel (opgave, bijlage, antwoordblad, correctievoorschrift). 40 vragen, 45 scorepunten.
Hoofdgedachte van een tekst of alinea
Totaal: 4 vragen (3 sterk, 1 randgeval) — ~4 punten.
- Q12 (1p) — bijlage (alinea 2, Tekst 5) + citeervraag. Letterlijk gebruik van de term: “In welke zin van alinea 2 wordt de hoofdgedachte van de alinea samengevat? Citeer de eerste twee woorden van deze zin.” CV-antwoord: “The obverse”.
- Q17 (1p) — opgave, meerkeuzevraag: “Which of the following is the point made in the first paragraph?”
- Q22 (1p) — opgave, meerkeuzevraag: “Which of the following quotations illustrates the point made in paragraph 6?” — hoofdgedachte moet gematcht worden met een los citaat van buiten de tekst.
- Q40 (1p, randgeval) — open vraag eigen woorden over Tekst 13: vraagt feitelijk naar het standpunt/de kernboodschap van de briefschrijver.
Relevante informatie selecteren
Totaal: 6 vragen.
- Q16 (3p) — opgave/bijlage, beweringenvraag over meerdere brieven tegelijk (Tekst 6): kandidaat moet informatie over vier losse ingezonden brieven combineren.
- Q23 (1p) — meerkeuzevraag, content-match over alinea 1-2 van Tekst 8.
- Q27 (1p) — meerkeuzevraag met citaat-aanknopingspunt: “The film’s political impact has been disappointing, too.” Which of the following aspects didn’t live up to expectations either? — vereist scannen naar het specifieke vervolg-aspect.
- Q29 (1p) — kort antwoord: scannen naar de alinea met een geslaagd film-voorbeeld.
- Q31 (1p) — meerkeuzevraag over alinea 2-4 gecombineerd.
- Q34 (1p) — meerkeuzevraag over het personage Stuart, letterlijke feiten uit hoofdstuk 1 selecteren.
Betekenis van woorden en uitdrukkingen in context
Totaal: 4 vragen (2 sterk idioom-vragen, 2 randgeval).
- Q39 (1p) — meerkeuzevraag, expliciet idioom-vergelijking: “Which of the following expressions captures Simon Boyle’s criticism of Amanda Vanstone?” met opties “barking up the wrong tree”, “chasing your tail”, “the pot calling the kettle black”, “the proof of the pudding is in the eating”.
- Q38 (1p) — meerkeuze-invulvraag op idioom: “The buck stops on the desk of the ___.”
- Q18 (1p, randgeval) — meerkeuzevraag die een citaat moet karakteriseren (genuine explanation / heartfelt apology / evasive statement / ironic comment) — grensgeval met Auteursintentie en toon.
- Q1 (1p, randgeval) — meerkeuze-invulvraag op inhoudswoord (accurate/popular/simplistic) i.p.v. connector.
Relaties tussen alinea’s en tekstdelen
Totaal: 5 vragen (1 exacte match, 4 randgeval).
- Q9 (1p) — exacte frase-match met de conceptnotitie: “How can paragraphs 6-8 be characterised best?” met werkwoord-gestuurde opties (contain additional information / elaborate on / give examples of / illustrate that / suggest that). Precies het voorbeeld uit de notitie zelf (“How can paragraph 2 be characterised best?”).
- Q8 (1p, randgeval) — meerkeuze-invulvraag met verwijzende naamwoordgroepen (government intervention / such polarisation / the collaboration) die terugslaan op eerdere alinea’s — cohesie tussen tekstdelen.
- Q14 (1p, randgeval) — vergelijking van de standpunten/bevindingen van twee onderzoekers (DeBruine vs. Brooks) over meerdere alinea’s heen.
- Q26 (1p, randgeval) — meerkeuze-invulvraag waarvan de opties de logische aansluiting op de vorige alinea’s bepalen.
- Q36 (1p, randgeval) — relatie tussen het krantenartikel vóór hoofdstuk 1 en de ik-figuur in het hoofdstuk zelf.
Functie van een alinea of tekstgedeelte
Totaal: 4 vragen (1 exacte match).
- Q21 (1p) — exacte match: “Which of the following would best describe the purpose of paragraph 4?” met opties die stuk voor stuk beginnen met “to” (to account for / to define / to parody / to reveal) — identiek patroon aan de notitie.
- Q32 (1p) — “What does the example of The Royal Bank of Scotland make clear? (paragraph 5)” — functie van een concreet voorbeeld binnen een alinea.
- Q24 (1p, randgeval) — “Why does Landesman mention Bradley Myles? (paragraphs 3 and 4)” — functie van het noemen van een persoon/voorbeeld; overlapt met Auteursintentie.
- Q9 (1p, randgeval) — zie ook boven bij Relaties; de antwoordopties zijn deels functie-beschrijvend (elaborate on / give examples of).
Auteursintentie en toon
Totaal: 5 vragen.
- Q24 (1p) — exacte frase-match: “Why does Landesman mention Bradley Myles?” — komt letterlijk overeen met het notitie-voorbeeld “Why does [auteur] mention … in paragraph X?”
- Q5 (1p) — meerkeuzevraag naar de toon van een ingezonden brief (condescending / impartial / indignant / tongue-in-cheek).
- Q18 (1p) — meerkeuzevraag: een citaat als “ironic comment” herkennen — directe toepassing van de notitie-regel “bij ironie is de letterlijke betekenis vaak het tegenovergestelde van de bedoelde intentie”.
- Q6 (1p) — bijlage/citeervraag over de mening van de auteur zelf (ja/nee + citeer eerste twee woorden van de zin waarin die mening blijkt).
- Q39 (1p, randgeval) — idioom “the pot calling the kettle black” impliceert hypocrisie/kritiek-met-ironie.
Impliciete informatie afleiden
Totaal: 7 vragen (2 sterk, 5 randgeval).
- Q11 (1p) — meerkeuzevraag over wetenschappelijk onderzoek waarbij conclusies uit de tekst afgeleid moeten worden, niet letterlijk genoemd.
- Q19 (1p) — meerkeuzevraag die onderscheid vereist tussen “regret” en “remorse” op basis van impliciete signalen in alinea 2.
- Q30 (1p, randgeval) — meerkeuze-invulvraag die een logisch gevolg impliceert (“could lead to …”) zonder dat dit expliciet in de tekst staat.
- Q7, Q15, Q34, Q36 (elk 1p, randgeval) — vereisen een conclusie die net iets verder gaat dan de letterlijke tekst.
Signaalwoorden en tekststructuur
Totaal: 6 vragen (4 sterk, 2 randgeval) — dit tijdvak een relatief zwaar getoetst concept.
- Q2 (1p) — meerkeuze-invulvraag met pure connectors: Although / As / Unless.
- Q13 (1p) — meerkeuze-invulvraag: In addition / In contrast / In other words.
- Q20 (1p) — meerkeuze-invulvraag: because / even when / provided that.
- Q3 (1p) — meerkeuze-invulvraag met houding-aanduidende bijwoorden (Clearly / Curiously / Fortunately / Reluctantly / Suspiciously) — signaalwoorden die tevens toon indiceren.
- Q26, Q27 (elk 1p, randgeval) — cohesie/aansluiting op voorgaande alinea’s, geen pure connectors maar wel structuur-signalen (“too” in Q27).
Standpunt en argumentatie herkennen
Totaal: 5 vragen.
- Q14 (1p) — standpunten van twee onderzoekers (DeBruine/Brooks) tegenover elkaar afzetten — zie ook Vraagtype combineervraag hieronder voor het format-grensgeval.
- Q32 (1p) — functie van een voorbeeld (RBS) ter ondersteuning van het standpunt van de auteur — directe toepassing van de notitie-zin “functie van een voorbeeld of vergelijking die het standpunt ondersteunt”.
- Q38 (1p) — wie krijgt de schuld volgens de briefschrijver (impliciet argumentatief).
- Q39 (1p) — welke uitdrukking vat de kritiek van Simon Boyle samen.
- Q40 (1p, randgeval) — het advies/standpunt van Edward Tikoft.
Tekstsoorten en tekstdoelen
0 directe vragen dit tijdvak — geen enkele vraag toetst expliciet “wat voor tekst is dit” of het tekstdoel als zodanig. Wel relevant als achtergrond: de 13 teksten omvatten een breed genrepallet (Guardian-opiniestuk, NYT-ingezonden stuk, letter to the editor, Whitehall-column, Economist-wetenschapsartikel, Economist-lezersbrieven, tijdschriftessay, filmrecensie, Guardian comment&debate, romanfragment + bijbehorend krantenberichtje, ingezonden brief x2). Zero-score is op zichzelf een datapunt voor de cross-tijdvak-telling.
Vraagtype meerkeuzevraag
Totaal: 16 vragen (Q5, 7, 9, 11, 17, 18, 19, 21, 22, 23, 24, 27, 31, 32, 34, 39) — WAAR: opgave (vraagstelling+opties) en correctievoorschrift (alleen de letter als antwoord, “Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt 1 scorepunt toegekend”).
- Bijzonderheid — optie-aantal wijkt regelmatig af van “vier opties (A-D)” zoals de notitie stelt: 3 opties bij Q1, Q2, Q8, Q13, Q17, Q20; 4 opties bij Q5, Q7, Q11, Q18, Q21, Q24, Q27, Q28, Q30, Q32, Q34, Q39; 5 opties bij Q3, Q9, Q22, Q26, Q31, Q38; 6 opties (A-F) bij Q19 en Q23. Waardevolle aanvulling/nuancering op de notitie.
- MC + meerkeuze-invulvraag samen: 16 + 10 = 26 van de 40 vragen, goed voor 26 van de 45 scorepunten (~58%) — bevestigt de notitie-claim “ongeveer 60% van de scorepunten”.
Vraagtype meerkeuze-invulvraag
Totaal: 10 vragen (Q1, 2, 3, 8, 13, 20, 26, 28, 30, 38) — WAAR: het weggelaten woord/de weggelaten woordgroep staat steeds in de bijlage (tekst zelf), de opties staan in de opgave.
- Onder deze 10 vallen zowel pure signaalwoord-gaten (Q2, 13, 20, 3) als inhoudelijke/cohesie-gaten (Q1, 8, 26, 28, 30, 38) — zie kruisverwijzingen bij Signaalwoorden en Relaties.
Vraagtype beweringenvraag
Totaal: 4 vragen (Q4 2p, Q16 3p, Q33 2p, Q35 2p = 9 scorepunten) — WAAR: opgave (genummerde beweringenlijst) + antwoordblad (open-vraag-kolom, niet MC) + correctievoorschrift (wel/niet per nummer).
- Scoring volgt steeds hetzelfde aftrek-patroon: bij Q4 (4 items) “indien vier/drie/twee-of-minder goed” → 2/1/0 punten; bij Q16 (5 items) 3/2/1/0 punten; bij Q33 en Q35 (elk 4 items) 2/1/0 punten — consistente evenredige-aftrekregel, exact zoals de notitie beschrijft.
- Q14 grensgeval: zelfde antwoordblad-vorm (open-vraag-kolom, twee items) maar het antwoord is niet wel/niet doch een naam (DeBruine/Brooks) — zie Vraagtype combineervraag.
Vraagtype combineervraag
Totaal: 1 grensgeval (Q14), geen zuivere combineervraag dit tijdvak.
- Q14 (1p) — de conceptnotitie definieert combineervraag expliciet als “namen koppelen aan uitspraken”. Q14 doet precies dat (twee beweringen toeschrijven aan “DeBruine” of “Brooks”), maar het antwoordblad behandelt het als een beweringenvraag-kolom (twee open-antwoordregels, geen a-t/m-g-letterkeuze, geen overtollige afleideropties). Vraagvorm-definitie leunt naar combineervraag, antwoordblad-vorm naar beweringenvraag — instructief hybride geval voor de notitie.
- Q37 heeft ook een matching-component (3 woorden → gaten a/b/c, 1-op-1), maar de vraagstelling vraagt expliciet om een volgorde, dus primair geclassificeerd als ordeningsvraag (zie aldaar).
Vraagtype kort antwoord
Totaal: 2 vragen (Q25, Q29) — WAAR: opgave + antwoordblad (open-vraag-kolom) + correctievoorschrift (alineanummer als antwoord).
- Q25 (1p) — gecombineerd met een ja/nee-beslissing: “Wordt in de recensie een mogelijke reden gegeven? Zo nee, antwoord ‘Nee’. Zo ja, noteer het nummer van de alinea…” CV staat twéé gelijkwaardige antwoorden toe via “of”: alinea 10 of alinea 13 (Correctieregel 3.7-alternatieven).
- Q29 (1p) — zuiver kort antwoord: “In welke alinea wordt een voorbeeld gegeven van een film die erin is geslaagd om verandering op gang te brengen? Noteer het nummer van deze alinea.”
Vraagtype citeervraag
Totaal: 5 vragen (Q6, Q10, Q12, Q15, Q36) — WAAR: opgave/bijlage (vraagstelling verwijst naar een alinea) + correctievoorschrift (letterlijk citaat als antwoord, in het Engels).
- Leerzaam contrast in het correctievoorschrift, alle uit dit ene tijdvak:
- Bij de drie hele-zin-citaten (Q6: “(Ja,) He should”; Q12: “The obverse”; Q15: “So, according”) staat steeds dezelfde soepele opmerking: “Niet fout rekenen wanneer de juiste zin (deels) verder is overgenomen of de juiste zin op een andere manier is aangewezen.”
- Bij het precies-afgebakende citaat Q10 (drie gelijkwaardige antwoorden via “of”, met optionele haakjes-delen) geldt juist de strenge tegenhanger: “Wanneer er meer geciteerd wordt dan hierboven aangegeven, geen scorepunt toekennen.” — exacte illustratie van de “meer citeren dan gevraagd = fout”-regel uit de notitie.
- Q36 is een valkuil-variant: ja/nee + citeer-instructie, maar het CV-antwoord is kort en droog “nee” — een kandidaat die tóch een citaat geeft (impliciet aannemend dat het antwoord “ja” moet zijn) scoort fout. Combineert citeervraag-format met een inhoudelijke denkfout-val.
Vraagtype ordeningsvraag
Totaal: 1 vraag (Q37, 1p) — WAAR: opgave (drie gegeven woordgroepen + antwoordblad met velden a/b/c) + correctievoorschrift.
- “Noteer de juiste cijfers achter de letters op het antwoordblad om de volgorde aan te geven waarin de woorden in de tekst hebben gestaan.”
- CV-opmerking: “Bij één of meerdere onjuiste antwoorden, geen scorepunt toekennen” — bevestigt de notitie-regel dat volledig juiste volgorde vereist is voor het volledige (hier: enige) scorepunt, geen deelscore.
Vraagtype open vraag in eigen woorden
Totaal: 1 vraag (Q40, 1p) — WAAR: opgave/bijlage (Tekst 13) + correctievoorschrift.
- “Wat adviseert Edward Tikoft om te doen in plaats van innoveren? Geef antwoord in je eigen woorden.” Antwoord in het Nederlands (impliciet, geen aparte “in het Engels”-aanwijzing), inhoud leidend: “het verspreiden van bestaande uitvindingen/kennis/technologieën/medicijnen”.
Correctieregels en scoring MVT
- Regel 3.4/3.5 (eerstgegeven antwoord telt) staat op twéé plekken: letterlijk op de voorpagina van het opgavenboekje (regel 26-28: “Geef niet meer antwoorden … dan er worden gevraagd… dan wordt alleen de eerste zin in de beoordeling meegeteld”) én formeel herhaald in het correctievoorschrift (Algemene regels 3.4/3.5).
- Vakspecifieke regel 1 (Nederlands tenzij anders aangegeven) staat ook dubbel: bovenaan de vragen in het opgavenboekje (regel 37-38: “beantwoord een open vraag altijd in het Nederlands… Als je in het Engels antwoordt, levert dat 0 punten op”) én in het correctievoorschrift zelf (Vakspecifieke regels, lid 1).
- Bijzonderheid t.o.v. de conceptnotitie: dit tijdvak se correctievoorschrift bevat maar twee vakspecifieke regels (1: Nederlands tenzij anders vermeld; 2: geen aftrek voor taalfouten). De derde regel uit de notitie (“citeervragen altijd in de vreemde taal; vertaling/parafrase levert 0 op”) komt in déze CV niet als apart genummerde vakspecifieke regel voor — dit is impliciet af te leiden uit de citeervraag-antwoorden zelf (steeds Engelse citaten), maar wordt hier niet expliciet als regel herhaald. Vermeldenswaardige mismatch voor cross-tijdvak-vergelijking.
- Regel 3.8 (tekst tussen haakjes is optioneel) wordt dit tijdvak drie keer concreet toegepast in het beoordelingsmodel: Q6 “(Ja,) He should”, Q10 (drie varianten, elk met een optioneel haakjes-deel, o.a. “(there is a ‘third’,) better way (by means of which governments can intervene in free markets and influence behaviour without law and regulation)”), Q25 “(Ja,) alinea 10”.
- Regel 3.7 (alternatieven gescheiden door ”/” of “of”): Q10 (drie gelijkwaardige antwoorden gescheiden door “of”), Q25 (alinea 10 of alinea 13).
- Regel 3.9 (woordenboek-betekenis die vakinhoudelijk onjuist is) — zie apart kopje hieronder.
- Scoring-tiers bij beweringenvragen (Q4, 16, 33, 35): steeds evenredige aftrek per fout item, zie Vraagtype beweringenvraag hierboven.
- Ordeningsvraag “alles-of-niets” (Q37): zie Vraagtype ordeningsvraag hierboven.
Woordenboekgebruik in het examen
Totaal: 1 treffer, generieke regel (niet aan één vraagnummer gekoppeld) — WAAR: correctievoorschrift, Algemene regels, lid 3.9.
- Letterlijke tekst: “indien een kandidaat op grond van een algemeen geldende woordbetekenis, zoals bijvoorbeeld vermeld in een woordenboek, een antwoord geeft dat vakinhoudelijk onjuist is, worden aan dat antwoord geen scorepunten toegekend, of tenminste niet de scorepunten die met de vakinhoudelijke onjuistheid gemoeid zijn.”
- Relevantie: waarschuwt expliciet dat de letterlijke/geïsoleerde woordenboekbetekenis van een woord kan afwijken van de contextueel juiste betekenis — sluit direct aan bij de aanpak-regel in “Betekenis van woorden en uitdrukkingen in context” dat een woord-voor-woordvertaling vaak een afleider is. Geen vraag dit tijdvak test woordenboekgebruik zelf (geen aparte instructiepagina over toegestane hulpmiddelen binnen het geraadpleegde paginabereik 652-697).