Digest 2019 Tijdvak 1 (VWO Engels) — Stap 2 patroonextractie

Bron: pagina’s 526–566 van de examenbundel (opgave/bijlage/antwoordblad/correctievoorschrift VW-1002-a-19-1). 40 vragen, 45 scorepunten, 12 teksten. Elke vraag hieronder gekoppeld aan het/de concept(en) dat/die hij raakt.


Hoofdgedachte van een tekst of alinea

Aantal: 2 (Q6, Q38)

  • Q6 (opgave, tekst 3 Brain gain) — “What fear is expressed in this text?” — hoofdgedachte van de hele (korte) tekst, ingeleid met “the fear that the UK will …”; MC, 4 opties, 1p.
  • Q38 (opgave, tekst 10 Alarm bells are ringing) — “What is George MacDonald’s main point? He is astounded that …” — expliciet “main point” in de vraagstelling zelf, het meest schoolvoorbeeld-achtige hoofdgedachte-item dit tijdvak; MC, 4 opties, 1p.

Bijzonderheid: dit tijdvak heeft opvallend weinig pure hoofdgedachtevragen (vergeleken met andere tijdvakken); Q38’s “he is astounded that” wijst tegelijk op toon (verontwaardiging) — overlapt met Auteursintentie en toon (zie daar). Q30 (Tekst 7, titelinterpretatie) ligt ook dicht tegen dit concept aan maar is primair een auteursintentie-vraag (zie hieronder).


Relevante informatie selecteren

Aantal: 5 (Q14, Q16, Q21, Q33, Q34)

  • Q14 (opgave, tekst 5) — quote “conflicts between scientific discovery and religious beliefs” (alinea 11) gegeven; “Which paragraph contains an actual example of such a conflict?” — informatiebehoefte expliciet geformuleerd, kandidaat moet het juiste tekstdeel vinden; MC met 6 opties (A-F), 1p.
  • Q16 (opgave, tekst 5) — “In welke alinea wordt duidelijk wat de titel van dit toneelstuk betekent? Noteer het nummer.” — locatievraag o.b.v. gegeven citaat (“Informed Consent”).
  • Q21 (opgave, tekst 6) — quote gegeven (“Properly taught or produced, the plays can connect to…”); “In welke andere alinea wordt deze opvatting voor het eerst herhaald?” — vereist het hele tekstvervolg scannen op herhaling van een specifiek idee.
  • Q33 (opgave, tekst 8) — “Wordt in de tekst duidelijk waarom dit voor haar zo belangrijk was? Zo nee, antwoord ‘Nee’. Zo ja, noteer het nummer van de alinea.” — scanvraag met ingebouwde “nee, wordt niet uitgelegd”-valkuil (correctiemodel: “nee”).
  • Q34 (opgave, tekst 8) — “Hoeveel signalen dat er iemand in haar huis is worden er in totaal in de tekst genoemd? Noteer het aantal.” — vereist scannen van de gehele tekst om alle losse aanwijzingen te tellen (antwoord: 5/vijf).

Bijzonderheid: dit tijdvak koppelt “Relevante informatie selecteren” bijna uitsluitend aan het vraagtype kort antwoord (alineanummer of aantal), niet aan een klassieke “voor wie is deze tekst geschikt”-scenariovraag — een net iets andere toepassing dan de notitie primair beschrijft.


Betekenis van woorden en uitdrukkingen in context

Aantal: 3 (Q10, Q11, Q31)

  • Q10 (opgave, tekst 4) — quote gegeven: “The italics are his.” (alinea 6); “Why did Lewis put the word ‘developed’ in italics?” — moet betekenis/functie van een specifiek woord binnen de context afleiden; MC, 3 opties, 1p.
  • Q11 (opgave+correctievoorschrift, tekst 5) — quote gegeven: “There was a mother. Who had a monster sleeping inside her.” (alinea 2); “Wie of wat is dit ‘monster’?” — figuurlijke/metaforische uitdrukking interpreteren binnen context; open vraag, 1p.
  • Q31 (opgave, tekst 8) — quote gegeven over “de nugatory movement of the windscreen wipers… distracted her”; “What is she distracted from?” — vereist de precieze referentie van een beeldspraak-achtige formulering afleiden uit de context; MC met 5 opties (A-E), 1p.

Relaties tussen alinea’s en tekstdelen

Aantal: 1 (Q18)

  • Q18 (opgave, tekst 6) — “How does paragraph 2 relate to paragraph 1?” — letterlijk het patroon uit de notitie (“How can paragraph 2 be characterised best?”); opties: “It answers the question…” / “It challenges the idea…” / “It elaborates on the opinion…” — precies de drie/vier werkwoordtypen (answers/challenges/elaborates) die de notitie als onderscheidend afleiderpatroon noemt. MC, ongewoon: 3 opties (A-C), 1p.

Q21 (zie Relevante informatie selecteren) raakt dit concept zijdelings: het gaat over het herkennen dat een opvatting uit alinea 5 wordt herhaald in alinea 10 — een structurele relatie tussen niet-opeenvolgende alinea’s, wat breder is dan het notitievoorbeeld (twee opeenvolgende alinea’s).


Functie van een alinea of tekstgedeelte

Aantal: 2 (Q19, Q27)

  • Q19 (opgave, tekst 6) — “Which of the following is in line with paragraph 3?” — opties beschrijven wat de alinea dóét: “defines leadership qualities…” / “enumerates probable reasons…” / “rephrases the point made previously…” / “reveals the writer’s knowledge…” — functiebeschrijvende werkwoorden zonder de standaard “to + werkwoord”-vorm, maar functioneel identiek; MC, 4 opties, 1p.
  • Q27 (opgave, tekst 7) — “Which of the following is true about paragraph 5?” — opties: “analyses…” / “confirms…” / “downplays…” / “repeats…” — grensgeval met Relaties tussen alinea’s (de opties beschrijven ook hoe alinea 5 zich verhoudt tot het eerdere betoog over oligopolie/rivaliteit); MC, 4 opties, 1p.

Auteursintentie en toon

Aantal: 4 (Q2, Q4, Q17, Q30)

  • Q2 (opgave, tekst 1) — “Why does Frank Hung bring up his street?” — vrijwel woordelijk het voorbeeld uit de notitie zelf (“Why does [auteur] mention … in paragraph X?”); MC, ongewoon: 3 opties (A-C, geen D), 1p.
  • Q4 (opgave, tekst 2) — quote gegeven: “Those who can’t tell the difference” (tweede brief); “What attitude does Lee Nason express towards this group of people?” — directe toonvraag (disdain/embarrassment/surprise/sympathy); MC, 4 opties, 1p.
  • Q17 (opgave, tekst 6) — quote gegeven: “As a qualification for the job, that’s certainly imaginative.” (alinea 1); “What does the writer want to make clear with this remark?” — schoolvoorbeeld van ironie: de letterlijke betekenis (een compliment) is het tegenovergestelde van de bedoelde (sarcastische) intentie, exact het patroon uit de notitie (“bij ironie/sarcasme is de letterlijke betekenis vaak het tegenovergestelde”); MC, 4 opties geformuleerd als vervolg op “She thinks Emma Rice should have…”, 1p.
  • Q30 (opgave, tekst 7) — “Based on the author’s views as expressed in the article, which of the following adjectives would best modify the noun ‘attempt’ in the title?” — vereist de globale toon/opvatting van de auteur over het hele artikel te herkennen en te vertalen naar een connotatief bijvoeglijk naamwoord (exaggerated/flawed/mature/repeated); MC, 4 opties, 1p.

Q10 (zie Betekenis van woorden) en Q38 (zie Hoofdgedachte, “astounded that”) raken dit concept zijdelings.


Impliciete informatie afleiden

Aantal: 4 (Q12, Q15, Q23, Q35)

  • Q12 (opgave+correctievoorschrift, tekst 5) — beweringenvraag over alinea 2-4 (“wel”/“niet”); meerdere items vereisen inferentie i.p.v. letterlijke tekstweergave (bv. “Jillian’s inner voices tell her to break the law” → niet expliciet zo gezegd, moet afgeleid worden uit “at the urging of voices inside her head”).
  • Q15 (opgave, tekst 5) — quote gegeven: “Advances in science, Jillian firmly believes, are sometimes controversial.” (alinea 12); “How should this remark be interpreted?” — pure inferentievraag, geen van de 3 opties staat letterlijk in de tekst; MC, 3 opties, 1p.
  • Q23 (opgave+correctievoorschrift, tekst 6) — beweringenvraag-variant: “Geef … aan of daarvan een voorbeeld wordt gegeven in de tekst” (i.p.v. de gangbare formulering “komen … aan de orde”) — vereist beoordelen of geciteerde begrippen (“sublime poetry”, “obscene terms”, “cracking codes”, “‘relevant’ gimmicks”) daadwerkelijk met een concreet voorbeeld geïllustreerd worden, niet slechts genoemd.
  • Q35 (opgave+correctievoorschrift, tekst 8) — grootste beweringenvraag dit tijdvak (5 items, 3p) over het literaire fragment; meerdere items vereisen interpretatie van personagegedrag i.p.v. letterlijke tekst (bv. “Daidre felt intimidated by the man in the house” — correctiemodel: niet, want ze reageert juist woedend/assertief, geen angst).

Signaalwoorden en tekststructuur

Aantal: 2 (Q7, Q24)

  • Q7 (opgave, tekst 4, gap-fill alinea 1) — opties zijn pure connectors/uitdrukkingen: “Against all odds” / “Alternatively” / “Among other things” / “Paradoxically” — klassiek signaalwoorden-gapfill; MC, 4 opties, 1p.
  • Q24 (opgave, tekst 6, gap-fill alinea 12) — opties: “Admittedly,” / “In retrospect,” / “Instead,” / “Nevertheless,” / “That’s why” — eveneens pure connectors; ongewoon: 5 opties (A-E) i.p.v. de gebruikelijke 4, 1p.

Bijzonderheid: in tegenstelling tot sommige andere tijdvakken (waar gap-fills vooral inhoudelijke zinsdelen zijn) bevat dit tijdvak twee heldere, klassieke signaalwoord-gapfills — goed lesmateriaal voor deze notitie. De overige gap-fills (Q1, Q5, Q8, Q9, Q26, Q39, Q40) zijn inhoudelijke woorden/zinsdelen, geen pure connectors.


Standpunt en argumentatie herkennen

Aantal: 3 (Q3, Q25, Q37)

  • Q3 (opgave, tekst 2, ingezonden brief) — “What is the EU trying to do in the US, according to Roger Waite?” — standpunt van de briefschrijver (EU-woordvoerder) identificeren; MC, 4 opties, 1p.
  • Q25 (opgave, tekst 7) — “Which of the following reflects criticism of the ‘Financial Fair Play regime’?” — opties zijn zelf citaten uit verschillende alinea’s (1, 3, 4, 5); kandidaat moet herkennen wélk citaat daadwerkelijk kritiek/argumentatie uitdrukt versus een neutrale beschrijving; MC, 4 opties, 1p.
  • Q37 (opgave, tekst 9, ingezonden brief) — “Which of the following is in line with the content of the letter?” — standpunt van Loyd Grossman (Heritage Alliance) herkennen; MC, ongewoon: 3 opties (A-C), 1p.

Vraagtype meerkeuzevraag

Aantal: 20 (Q2, 3, 4, 6, 10, 13, 14, 15, 17, 18, 19, 22, 25, 27, 30, 31, 32, 36, 37, 38)

Bijzonderheden dit tijdvak (afwijkingen van het standaard 4-opties-format, bevestigd op het antwoordblad):

  • Q2, Q10, Q13, Q15, Q18, Q37 hebben slechts 3 opties (A-C).
  • Q14 heeft 6 opties (A-F) — het meest afwijkende item dit tijdvak.
  • Q31 heeft 5 opties (A-E).

Dit tijdvak wijkt opvallend vaak af van het standaard 4-opties-format: 8 van de 20 klassieke meerkeuzevragen (40%) hebben een ander aantal opties dan A-D. Nuttig als bewijsmateriaal voor de notitie-opmerking dat het aantal opties niet altijd standaard vier is.


Vraagtype meerkeuze-invulvraag

Aantal: 9 (Q1, 5, 7, 8, 9, 24, 26, 39, 40)

Typische formulering: “Which of the following fits the gap in paragraph X?” (bij Tekst 11 en 12 zonder alinea-aanduiding: “fits the gap in the text”, omdat die teksten kort en ongealineerd zijn).

  • Voorbeelden met afwijkend aantal opties: Q5, Q8, Q9 hebben 3 opties; Q24 heeft 5 opties; de rest (Q1, Q7, Q26, Q39, Q40) heeft de standaard 4.
  • Inhoudelijk vallen de gap-fills uiteen in pure signaalwoorden (Q7, Q24 — zie Signaalwoorden) en inhoudelijke woorden/zinsdelen (Q1, Q5, Q8, Q9, Q26, Q39, Q40 — losse woorden, korte werkwoordsuitdrukkingen of volledige zinsdelen).

Vraagtype beweringenvraag

Aantal: 5 (Q12, Q20, Q23, Q28, Q35)

  • Q12 (tekst 5, 2p) — 4 beweringen; scoring: 4 goed = 2p, 3 goed = 1p, ≤2 goed = 0p.
  • Q20 (tekst 6, 1p) — slechts 2 beweringen (kleinste beweringenvraag dit tijdvak); scoring: 2 goed = 1p, ≤1 goed = 0p.
  • Q23 (tekst 6, 2p) — 4 beweringen, afwijkende formulering: “of daarvan een voorbeeld wordt gegeven in de tekst” i.p.v. de gangbare “komen … aan de orde”; zelfde scoreschaal als Q12.
  • Q28 (tekst 7, 2p) — 3 beweringen; scoring: 3 goed = 2p, 2 goed = 1p, ≤1 goed = 0p.
  • Q35 (tekst 8, 3p) — 5 beweringen, de grootste dit tijdvak; scoring: 5 goed = 3p, 4 goed = 2p, 3 goed = 1p, ≤2 goed = 0p.

Bijzonderheid: alle vijf beweringenvragen gebruiken een gegradeerde deelscore-tabel (n goed → max, n-1 → max-1, …, met een harde ondergrens naar 0) — consistent patroon, net als in andere tijdvakken. Ook opvallend: op het antwoordblad staan alle beweringenvragen (Q12, 20, 23, 28, 35) in de kolom “Open vragen”, niet bij de omcirkel-kolom “Meerkeuzevragen” — relevant detail voor hoe kandidaten dit vraagtype herkennen op het antwoordblad.


Vraagtype citeervraag

Aantal: 1 (Q29)

  • Q29 (opgave+correctievoorschrift, tekst 7, 1p) — quote gegeven: “One solution is obvious but improbable: for European football to copy the oval-ball game in the US.” (alinea 8); “Aan welke voorwaarde genoemd in alinea 8-11 moet worden voldaan om deze aanpak daadwerkelijk te doen slagen? Citeer deze voorwaarde of antwoord in het Nederlands.” Correctiemodel: “(it will require) all their leagues to adopt such a system (simultaneously) (alinea 9)” met de expliciete Opmerking: “Wanneer er meer geciteerd wordt dan hierboven aangegeven of minder dan het deel dat niet tussen haakjes staat, geen scorepunt toekennen.” — directe, letterlijke bevestiging van de notitieregel “meer citeren dan gevraagd is fout, ook al is de kern goed”. Als alternatief staat in het beoordelingsmodel ook een volledige Nederlandse parafrase toegestaan (“Alle (Europese) competities/voetbalclubs moeten dit systeem (tegelijkertijd) invoeren.”).

Bijzonderheid: dit is dit tijdvak de enige citeervraag, en meteen een ongebruikelijke hybride: de vraagstelling zelf biedt de kandidaat de keus tussen (a) citeren in het Engels volgens de strikte citeerregels, óf (b) een vrij antwoord in het Nederlands — een variant die niet één-op-één in de bestaande citeervraag-notitie staat beschreven (die stelt dat citeervragen “altijd in de vreemde taal” moeten, wat hier dus alleen geldt voor het citeer-alternatief, niet voor de vraag als geheel).


Vraagtype kort antwoord

Aantal: 4 (Q16, Q21, Q33, Q34)

  • Q16 (tekst 5, 1p) — alinea-nummer; correctiemodel geeft twee gelijkwaardige antwoorden, gescheiden door “of”: “(alinea) 9 of (alinea) 10”.
  • Q21 (tekst 6, 1p) — alinea-nummer; correctiemodel: “(alinea) 10”, enkelvoudig antwoord.
  • Q33 (tekst 8, 1p) — hybride ja/nee + kort-antwoordnummer: “Zo nee, antwoord ‘Nee’. Zo ja, noteer het nummer van de alinea…” — correctiemodel: “nee” (de tekst legt het dus níét uit; een kandidaat die toch een alineanummer verzint, scoort fout).
  • Q34 (tekst 8, 1p) — telvraag: “Hoeveel signalen … Noteer het aantal.” — correctiemodel: “5/vijf” (cijfer en voluit geschreven getal als gelijkwaardige ”/“-varianten volgens regel 3.7).

Bijzonderheid: Q33 herhaalt het ja/nee-plus-alineanummer-hybride format dat ook in andere tijdvakken voorkomt (vgl. de “Zo nee/Zo ja”-constructie); Q34 is een minder gebruikelijke variant (aantal tellen door de hele tekst) i.p.v. het kale alineanummer dat de notitie als typisch voorbeeld geeft.


Vraagtype open vraag in eigen woorden

Aantal: 1 (Q11)

  • Q11 (tekst 5, 1p) — “Wie of wat is dit ‘monster’? Geef antwoord in het Nederlands of in het Engels.” — opvallende afwijking van de vakspecifieke standaardregel (Nederlands verplicht, tenzij anders aangegeven): hier staat expliciet in de vraagstelling zelf dat Engels ook is toegestaan. Correctiemodel geeft vier inhoudelijk verschillende, elk tweetalig geformuleerde antwoordmogelijkheden gescheiden door “of”: “haar genen/her genes” of “alzheimer/Alzheimer’s disease/dementie/dementia” of “genetische mutatie (die alzheimer/dementie veroorzaakt)/genetic mutation (that causes Alzheimer’s disease/dementia)” of “haar wens om haar kind te beschermen (ten koste van alles)/her wish to protect her child (at any cost)” — elk alternatief zelf weer met een Nederlands/Engels ”/“-paar (regel 3.7) én haakjes voor optionele delen (regel 3.8).

Correctieregels en scoring MVT

Aantal: doorlopend van toepassing; specifieke instanties dit tijdvak: Q11, Q12, Q16, Q20, Q23, Q28, Q29, Q34, Q35

Waar: correctievoorschrift, sectie 2 “Algemene regels” (regels 3.1 t/m 3.9) en sectie 3 “Vakspecifieke regels”.

  • Vakspecifieke regel 1 letterlijk herhaald op het opgaveblad zelf (vóór Tekst 1): “Let op: beantwoord een open vraag altijd in het Nederlands, behalve als het anders is aangegeven. Als je in het Engels antwoordt, levert dat 0 punten op.” — en Q11 is precies het geval “tenzij anders aangegeven”.
  • Regel 3.8 (haakjes = optioneel deel) toegepast in Q11 (“(die alzheimer/dementie veroorzaakt)”, “(ten koste van alles)”), Q16 (“(alinea) 9”) en Q29 (“(it will require)”, “(simultaneously)”).
  • Regel 3.7 (”/” = gelijkwaardige formuleringen) toegepast in Q11 (herhaaldelijk, Nederlands/Engels-paren) en Q34 (“5/vijf”); Q16 gebruikt in plaats daarvan het woord “of” voor twee volledig losse alineanummers — zelfde patroon als in andere tijdvakken waar “of” wordt gebruikt voor complete alternatieve antwoorden i.p.v. het ”/“-teken voor synoniemen.
  • Gegradeerde deelscore-tabellen bij alle vijf beweringenvragen (Q12, Q20, Q23, Q28, Q35) — “n goed = max, n-1 goed = max-1, …, ≤ drempel = 0”, identiek patroon.
  • Citeerregel strikt toegepast bij Q29: expliciete Opmerking dat te veel of te weinig citeren 0 scorepunten oplevert, met een Nederlandse parafrase als volwaardig alternatief ernaast — combinatie van citeer- én open-vraagregels in één vraag.
  • Algemene regel 4: bij een meerkeuzevraag telt alleen de hoofdletter; meer dan één omcirkeld antwoord levert geen scorepunt op. Het antwoordblad licht dit toe met drie voorbeelden voor het doorkruisen/herstellen van een foutief omcirkeld antwoord (rechtsboven op het antwoordblad).
  • Ongewoon hoog aantal MC-vragen met afwijkend opties-aantal dit tijdvak (zie Vraagtype meerkeuzevraag) — relevant voor hoe correctoren/kandidaten het antwoordblad moeten lezen (niet elke rij heeft een D- of E-kolom).

Woordenboekgebruik in het examen

Aantal: 1 (generieke regel, geen specifieke vraag)

  • Waar: correctievoorschrift, Algemene regels, regel 3.9: “indien een kandidaat op grond van een algemeen geldende woordbetekenis, zoals bijvoorbeeld vermeld in een woordenboek, een antwoord geeft dat vakinhoudelijk onjuist is, worden aan dat antwoord geen scorepunten toegekend, of tenminste niet de scorepunten die met de vakinhoudelijke onjuistheid gemoeid zijn.”
  • Standaard, aan geen specifieke vraag gekoppelde regel (zelfde boilerplate-tekst als in andere tijdvakken). Relevant voor deze notitie als aanvulling: een letterlijke woordenboekvertaling die niet aansluit bij de contextuele betekenis (vgl. Q10, Q11, Q31 hierboven onder Betekenis van woorden en uitdrukkingen in context) levert geen scorepunt op, zelfs als die vertaling op zichzelf correct in het woordenboek staat.

Niet geraakt dit tijdvak

  • Vraagtype combineervraag — geen enkele vraag dit tijdvak vraagt om het combineren/matchen van uitspraken, namen of zinsdelen uit een lijst.
  • Vraagtype ordeningsvraag — geen enkele vraag dit tijdvak vraagt om handelingen/alinea’s in de juiste volgorde te zetten.
  • Tekstsoorten en tekstdoelen — geen vraag vraagt expliciet naar het type tekst of tekstdoel zelf. De 12 teksten omvatten wel een brede mix die relevant is als achtergrond: ingezonden brieven (Tekst 2 Delicate delicacies, Tekst 9 Future of our past?), krantenartikelen/opiniestukken (Tekst 1, 3, 7, 10, 12), boek-/theaterrecensies (Tekst 4 Get a grip, Tekst 5 Hard work is in her DNA, Tekst 6 Poor Shakespeare must be turning in his grave), een informatief/zakelijk stuk (Tekst 11 CT scans) en één literair fragment (Tekst 8 Careless in Red) — deze mix onderbouwt vooral de Standpunt-, Auteursintentie- en Impliciete-informatie-vragen hierboven, maar levert zelf geen scorepunt op.