Digest 2019 tijdvak 2 — conceptextractie
11 teksten, 41 vragen (36x 1p, 5x 2p: vraag 7, 8, 14, 28, 30). Hieronder alleen de concept-hits, geen tekstsamenvattingen.
Auteursintentie en toon
Aantal: 8/41
- Vraag 4 — opgave (Tekst 2). “What does the writer try to make clear here?” bij het citaat “But lobster salad without lemon is lenten fare indeed.” Correctievoorschrift: B.
- Vraag 16 — opgave (Tekst 4). “What opinion does the writer give in this final remark?” (slotzin over “the semantics”). Correctievoorschrift: C.
- Vraag 21 — opgave (Tekst 5). “Which of the following paragraphs does not contain any explicit criticism of the book?” — detecteren van kritische toon over vier alinea’s. Correctievoorschrift: C.
- Vraag 22 — opgave (Tekst 5). “How can the tone of this remark best be interpreted?” bij een citaat — letterlijke match met de notitie (“welke toon”). Correctievoorschrift: E.
- Vraag 32 — opgave (Tekst 7). “Which of the following paragraphs lacks a critical note on Bryson’s work?” — zelfde patroon als vraag 21 (kritische toon lokaliseren over meerdere alinea’s). Correctievoorschrift: C.
- Vraag 35 — opgave (Tekst 8). “What message does Anne McElvoy want to convey in paragraph 4?” — zes antwoordopties (A-F), meer dan de gebruikelijke vier. Correctievoorschrift: B.
- Vraag 37 — opgave (Tekst 9) + correctievoorschrift. “Which of the following statements is in line with Michael Eustace’s opinion?” — letterlijke match met de notitie-template. Correctievoorschrift: C. (raakt ook Standpunt en argumentatie herkennen.)
- Vraag 40 — opgave (Tekst 10). “Which of the following statements is in line with Tim Entwistle’s letter?” — zelfde template als vraag 37. Correctievoorschrift: C. (raakt ook Standpunt en argumentatie herkennen.)
- Gewicht: 8/41 (~20%), het meest voorkomende interpretatieve concept dit tijdvak; twee duidelijke subpatronen: “in line with X’s opinion” (v37, v40) en kritische-toon-lokalisering over meerdere alinea’s (v21, v32).
Standpunt en argumentatie herkennen
Aantal: 2/41 (beide dubbel getagd met Auteursintentie en toon)
- Vraag 37 — Tekst 9 is een ingezonden brief (“Sir, The article … refers to solutions to rhino poaching”); standpunt van Michael Eustace moet herkend worden.
- Vraag 40 — Tekst 10 bevat een korte ingezonden reactie/brief van Tim Entwistle.
- Gewicht: 2/41, beide keren bij een brief-achtige tekst, consistent met het patroon dat de notitie beschrijft.
Functie van een alinea of tekstgedeelte
Aantal: 3/41
- Vraag 6 — opgave (Tekst 3). “How does the writer introduce the subject in paragraphs 1 and 2?” — letterlijke match met de notitie-template. Correctievoorschrift: B.
- Vraag 10 — opgave (Tekst 4). Identieke vraagstelling “How does the writer introduce the subject in paragraphs 1 and 2?” Correctievoorschrift: C.
- Vraag 29 — opgave (Tekst 7). “How does Engel introduce his review in paragraphs 1 and 2?” — variant met auteursnaam i.p.v. “the writer”. Correctievoorschrift: D.
- Gewicht: 3/41, opvallend: alle drie exact hetzelfde format “How does [de schrijver] introduce the subject/his review in paragraphs 1 and 2?” — een vaste openingsvraag per tekst, niet willekeurig verspreid.
Impliciete informatie afleiden
Aantal: 6/41 (2 directe MC-vragen + 4 beweringenvragen die inferentie vereisen)
- Vraag 15 — opgave (Tekst 4). “Which of the following sentences … best identifies the problem that will be solved when people embrace this new technique?” — vereist het combineren van tekstdelen om een impliciet probleem te identificeren. Correctievoorschrift: D.
- Vraag 33 — opgave (Tekst 7). “Which of the following opinions can be ascribed to Matthew Engel based on paragraphs 8 and 9?” — vrijwel identiek aan het notitie-template “can be concluded about … from paragraph X”. Correctievoorschrift: C.
- Vraag 34 — opgave (Tekst 8). “Which of the following about Anne McElvoy is true based on paragraphs 1-3?” — zelfde “based on”-constructie. Correctievoorschrift: C.
- Vraag 7 — opgave + correctievoorschrift (Tekst 3, beweringenvraag). Bepalen of “the culprits”, “Sir Tim Hunt”, “Walter Palmer” en “PETA” volgens de auteur tot zondebok zijn gemaakt — niet letterlijk zo benoemd, vereist inferentie uit de toon van de tekst.
- Vraag 14 — opgave + correctievoorschrift (Tekst 4, beweringenvraag). Beweringen over de ethische implicaties van mens-varken-hybriden, deels impliciet in alinea 6.
- Vraag 28/30 — zie Vraagtype beweringenvraag hieronder; ook deze vereisen inferentie i.p.v. letterlijke tekstvondsten.
- Gewicht: 6/41 direct getagd, plus structurele overlap met vrijwel elke beweringenvraag dit tijdvak — impliciete interpretatie is dominant naast de MC-hoofdgedachte/functie-vragen.
Relaties tussen alinea’s en tekstdelen
Aantal: 1/41
- Vraag 17 — opgave (Tekst 5). “In both paragraph 1 and paragraph 2 a remark made by Colvin is quoted. How does Colvin’s remark in paragraph 2 relate to his opinion as presented in paragraph 1?” — exacte match met het notitieconcept (relatie tussen twee alinea’s). Correctievoorschrift: C.
- Gewicht: 1/41, maar zeer illustratief — vrijwel woordelijk het notitie-template.
Betekenis van woorden en uitdrukkingen in context
Aantal: 1/41
- Vraag 18 — opgave (Tekst 5). “‘So are we doomed to uselessness?’ (paragraph 2) How can this question be rephrased?” — herformulering van een retorische vraag uit de tekst, vergt begrip van de bedoelde betekenis in context. Correctievoorschrift: D.
- Gewicht: 1/41, losser dan het klassieke “correct definition of”-format maar functioneel hetzelfde principe (betekenis afleiden uit context).
Hoofdgedachte van een tekst of alinea
Aantal: 2/41
- Vraag 38 — opgave (Tekst 9). “Which of the following sentences sums up the article?” — samenvatting van de hele tekst i.p.v. één alinea. Correctievoorschrift: A.
- Vraag 41 — opgave (Tekst 11). “What is the main point of this letter?” — letterlijke match met het notitie-template. Correctievoorschrift: C.
- Gewicht: 2/41, beide bij de laatste twee teksten van het examen, elk de gehele tekst betreffend (niet één alinea).
Signaalwoorden en tekststructuur
Aantal: 4/41 (alle vier dubbel getagd met Vraagtype meerkeuze-invulvraag)
- Vraag 13 — opgave (Tekst 4). Gat in alinea 5, opties Besides / Conversely / For instance / In short / Similarly (5 opties). Correctievoorschrift: D.
- Vraag 20 — opgave (Tekst 5). Gat in alinea 5, opties Consequently / However / In short — slechts 3 opties (afwijking van standaard 4). Correctievoorschrift: B.
- Vraag 36 — opgave (Tekst 8). Gat in alinea 6, opties After all / In a nutshell / In fact / Therefore / Yet (5 opties). Correctievoorschrift: C.
- Vraag 39 — opgave (Tekst 10). Gat in alinea 2, opties After all / As a result / Furthermore / In other words / On the other hand (5 opties). Correctievoorschrift: A.
- Gewicht: 4/41, vaste combinatie met meerkeuze-invulvraag; opvallend veel 5-optie-varianten dit tijdvak i.p.v. de standaard 4.
Vraagtype meerkeuzevraag
Aantal: 22/41 (standaard MC met inhoudelijke opties, exclusief invulvragen)
- Vragen: 1, 2, 4, 6, 10, 11, 15, 16, 17, 18, 21, 22, 25, 29, 32, 33, 34, 35, 37, 38, 40, 41.
- Bijzonderheid: vraag 2 heeft slechts 3 opties (A-C), vraag 4 en 29 hebben 5 opties (A-E), vraag 35 heeft 6 opties (A-F) — aanzienlijke spreiding in het aantal opties dit tijdvak, sterker dan bij andere onderzochte tijdvakken.
- Gewicht: 22/41 (~54%), samen met meerkeuze-invulvraag (7/41) dus 29/41 (~71%) van de vragen.
Vraagtype meerkeuze-invulvraag
Aantal: 7/41
- Vragen: 3, 12, 13, 19, 20, 36, 39 — “Which of the following fits the gap in paragraph X?” (vraag 3 heeft geen paragraafverwijzing, betreft de enige gat-vraag in de lopende tekst van Tekst 2 zelf).
- Vraag 20 heeft slechts 3 opties i.p.v. 4 — zie ook Signaalwoorden hierboven.
- Gewicht: 7/41 (~17%); vier van de zeven zijn signaalwoorden (13, 20, 36, 39), de overige drie (3, 12, 19) zijn inhoudelijke/vocabulaire gaten.
Vraagtype beweringenvraag
Aantal: 5/41 (samen 9 scorepunten: vraag 5 is 1p, de overige vier zijn 2p)
- Vraag 5 — opgave (Tekst 2). Stijlfiguren (alliteratie, personificatie) wel/niet gebruikt — 2 items, 1p (indien beide goed = 1, anders 0).
- Vraag 7 — opgave + correctievoorschrift (Tekst 3). 4 items (zondebok-status), 2p, oplopende scoretabel (4 goed=2, 3 goed=1, ≤2 goed=0).
- Vraag 14 — opgave + correctievoorschrift (Tekst 4). 4 items, 2p, zelfde scoretabel-logica.
- Vraag 28 — opgave + correctievoorschrift (Tekst 6). 3 items, 2p, scoretabel (3 goed=2, 2 goed=1, ≤1 goed=0).
- Vraag 30 — opgave + correctievoorschrift (Tekst 7). 4 items, 2p, scoretabel (4 goed=2, 3 goed=1, ≤2 goed=0).
- Gewicht: 5/41 vragen, 9/46 scorepunten — de scoretabellen volgen consequent hetzelfde oplopende patroon per aantal items.
Vraagtype combineervraag
Aantal: 1/41 (2 scorepunten)
- Vraag 8 — opgave + correctievoorschrift (Tekst 3). “Drie van de onderstaande geciteerde uitspraken (a-e) zijn weggelaten… Let op: er blijven twee citaten over.” Correctie: 8-1 e, 8-2 d, 8-3 b; scoretabel (3 goed=2, 2 goed=1, ≤1 goed=0).
- Gewicht: 1/41, enige combineervraag dit tijdvak — citaten-variant i.p.v. de zinsdeel-variant uit andere tijdvakken.
Vraagtype kort antwoord
Aantal: 5/41
- Vraag 9 — opgave + correctievoorschrift (Tekst 3). “In welke eerdere alinea suggereert… Noteer het nummer van deze alinea.” Correctie: “(alinea) 1 óf (alinea) 2 óf (alinea) 4” — meerdere goedgekeurde alinea’s, ongebruikelijk ruim.
- Vraag 23 — opgave + correctievoorschrift (Tekst 5). “In welke alinea wordt voor het eerst… genoemd? Noteer het nummer.” Correctie: “(alinea) 2”.
- Vraag 26 — opgave + correctievoorschrift (Tekst 6). Variant: gevraagd wordt niet een alineanummer maar een specifiek woord (“Welk woord aan het einde van alinea 3…”). Correctie: “uncharacteristically”, met Opmerking dat meer citeren dan gevraagd tot 0 punten leidt.
- Vraag 27 — opgave + correctievoorschrift (Tekst 6). Hybride ja/nee + alineanummer: “Zo nee, antwoord ‘Nee’. Zo ja, noteer het nummer van de alinea.” Correctie: “Nee”.
- Vraag 31 — opgave + correctievoorschrift (Tekst 7). “Leg uit waar ‘hier’ en ‘daar’ naar verwijzen.” Correctie: twee plaatsnamen (Engeland/Groot-Brittannië/VK/Britain EN de VS/USA/Amerika/Iowa) met Opmerkingen over synoniemen en omgekeerde volgorde; ontbreekt één element → 0 punten.
- Gewicht: 5/41; drie varianten naast de klassieke alineanummer-vraag (woord i.p.v. nummer bij v26, ja/nee-hybride bij v27, verwijzingsverklaring bij v31) — meer variatie dan in de referentienotitie beschreven.
Vraagtype citeervraag
Aantal: 1/41 (hybride ja/nee + citaat)
- Vraag 24 — opgave + correctievoorschrift (Tekst 5). “Wordt er in alinea 3-10 een situatie geschetst… Zo nee, antwoord ‘Nee’. Zo ja, citeer de eerste twee woorden van de zin…” Correctie: “What if (alinea 7)”, met de standaard-Opmerking dat een (deels) verder overgenomen zin ook goed gerekend wordt.
- Gewicht: 1/41, zelfde hybride ja/nee-plus-citaat-variant als eerder gesignaleerd in het 2025-tijdvak1-digest (daar bij vraag 13) — bevestigt dat dit een terugkerend subtype is, niet incidenteel.
Correctieregels en scoring MVT
Aantal: doorlopend aanwezig
- WAAR: correctievoorschrift, secties “2 Algemene regels” en “3 Vakspecifieke regels”, plus toepassingen bij individuele vragen.
- Vakspecifieke regel 1 (open vragen in het Nederlands) herhaald op de voorpagina van het opgavenboekje, identiek aan andere tijdvakken.
- Vakspecifieke regel 2 (citeervragen in de vreemde taal) toegepast bij vraag 24 (Engels citaat “What if”).
- Regel 3.6/Opmerking-clausules toegepast bij vraag 26 (geen scorepunt bij meer citeren dan gevraagd) en vraag 31 (geen scorepunt bij ontbrekend element).
- Regel 3.7 (synoniemen/omgekeerde volgorde) expliciet toegepast bij vraag 31.
- Partiële-score-logica (regel 3.2) concreet uitgewerkt in de oplopende scoretabellen bij vraag 7, 8, 14, 28, 30.
- Gewicht: relevant voor alle niet-MC-vragen (5 kort antwoord + 1 citeer + 5 beweringen + 1 combineer = 12/41) en voor de MC-basisregel (29/41); 29+12=41, klopt met het totaal.
Concepten met (vrijwel) geen hits dit tijdvak
- Relevante informatie selecteren: 0 hits — geen oriënterend-lezen-tekst (brochure/advertentie) dit tijdvak, alle 11 teksten zijn doorlopende artikelen, brieven of een romanfragment.
- Woordenboekgebruik in het examen: 0 hits — geen aparte instructie hierover in dit examenboekje (reglementair, niet vraag-specifiek).
- Tekstsoorten en tekstdoelen: geen directe vraag, maar wel relevante achtergrond: Tekst 3 (opiniecolumn), Tekst 7 (boekrecensie), Tekst 9 en Tekst 11 (ingezonden brieven “Sir,”/“Can someone please tell…”), Tekst 6 (romanfragment, The Luminaries) — brede spreiding aan tekstsoorten die de Auteursintentie/Standpunt-vragen ondersteunt.
Vraag zonder duidelijke conceptmatch
- Vraag 1 — opgave (Tekst 1). “How many explanations for this are given in the text?” — telvraag over een geciteerde zin, geen van de bestaande concepten past hier precies op. Correctievoorschrift: C.
- Vraag 2 — opgave (Tekst 1). “Which of the following does ‘it’ refer to?” — voornaamwoord-referentie, met slechts 3 in plaats van 4 antwoordopties. Correctievoorschrift: A.
- Vraag 3 — opgave (Tekst 2, invulvraag). Gat “the lemon’s calling in life is as ___” — inhoudelijke/vocabulaire invulling, geen signaalwoord.
- Vraag 11 — opgave (Tekst 4). “‘Diet is a good example.’ What is it a good example of?” — vergt koppelen van een voorbeeld aan het onderliggende punt; geen scherpe match met een bestaand concept.
- Vraag 12 — opgave (Tekst 4, invulvraag). Gat “the diet of choice would be ___” (cannibalism/carnivorism/omnivorism/vegetarianism) — inhoudelijke conclusie, geen signaalwoord.
- Vraag 19 — opgave (Tekst 5, invulvraag). Gat “Humans, it seems, are ___” — karakteriserende invulling, geen signaalwoord.
- Vraag 25 — opgave (Tekst 6). “Which of the following about the twelve men is true according to paragraphs 1 and 2?” — directe detailinformatie, vergelijkbaar met vraag 12 uit het 2025-tijdvak1-digest (puur factual-detail-retrieval).
Bijzonderheden / opvallende zaken voor kruisverwijzing
- Ongewoon brede spreiding in het aantal MC-opties dit tijdvak: 3 opties (vraag 2, 20), standaard 4, 5 opties (vraag 4, 6, 13, 15, 17, 29, 36, 39, 41), zelfs 6 opties (vraag 35, F is de hoogste letter die dit tijdvak voorkomt).
- Twee hybride ja/nee-vragen dit tijdvak (vraag 24 met citaat, vraag 27 met alineanummer) — bevestigt dat dit subtype structureel terugkeert, niet incidenteel.
- Vaste openingsvraag-formule “How does [auteur] introduce the subject/zijn recensie in paragraphs 1 and 2?” komt dit tijdvak drie keer voor (vraag 6, 10, 29) — sterker patroon dan in het referentie-tijdvak (2025-1) waar dit slechts impliciet zichtbaar was.
- Vraag 33/34/37/40 delen de constructie “based on paragraphs X/Y” of “in line with X’s opinion” — twee net iets verschillende formuleringen die beide naar dezelfde onderliggende vaardigheid (impliciete conclusie resp. standpuntherkenning) verwijzen.