2023, tijdvak 1 — patroonextractie (Stap 2)

Bron: VW-1002-a-23-1, geëxtraheerd met pdftotext -f 178 -l 222 -layout (bundel-paginanummers; SSL-voetstempels lopen 1 lager). Onderdelen binnen dit bereik: opgaven/vraagstelling p.177-185, antwoordblad p.186-188, bijlage/tekstboekje p.189-209, correctievoorschrift p.210-219, aanvulling op het correctievoorschrift p.220-221 (2x identiek afgedrukt). Examen: 40 vragen, 45 scorepunten, 13 teksten — waarvan 6 ingezonden brieven (Tekst 1, 4, 5, 11, 12, 13), diverse artikelen/columns, en één literair fragment (Tekst 10, Darke).


Hoofdgedachte van een tekst of alinea

Totaal: 7x (vragen 1, 6, 18, 24, 25, 26, 38)

  • Vraag 1 (Tekst 1, brief) — opgave/vraagstelling. “What is the point made by William Flynn in this letter?” MC A-D. Gewicht: 1p. Overlapt met Standpunt en argumentatie herkennen (het is een ingezonden brief).
  • Vraag 6 (Tekst 5, brief 1) — opgave. “What is the point made by Fiona Bayly (letter 1)?” MC A-D. 1p. Overlapt met Standpunt en argumentatie herkennen.
  • Vraag 18 — opgave. “What is the main point made in paragraph 7?” MC A-C (let op: hier maar 3 opties i.p.v. 4!). 1p.
  • Vraag 24 — opgave. “What is the point made about hipsters in paragraph 3?” MC A-D. 1p.
  • Vraag 25 — opgave. “What is the point made in paragraph 4?” MC A-D. 1p.
  • Vraag 26 — opgave. “What is the point made about synchronisation in paragraph 6?” MC A-D. 1p.
  • Vraag 38 (Tekst 11, brief) — opgave. “What is the point made by Adrien Giraud in this letter?” MC A-D. 1p. Overlapt met Standpunt en argumentatie herkennen.

Patroon: de vaste formule “What is the (main) point made (about …) (by …) in paragraph/letter X?” is dit tijdvak zeer dominant (7 van de 40 vragen, bijna 1 op de 6). Alle 7 zijn standaard-MC met A-D (op vraag 18 na, die uitzonderlijk maar 3 opties heeft).


Relevante informatie selecteren

Totaal: 1x (vraag 40; vraag 35 raakt het randgebied)

  • Vraag 40 (Tekst 13) — opgave/vraagstelling + bijlage (5 ingezonden brieven onder de gezamenlijke titel “LETTERS”). “Wie schrijft dat Australische docenten een extra uitdaging hebben doordat hun klassen bestaan uit leerlingen van verschillende achtergronden? Noteer de naam van deze persoon.” Instructie in de bijlage zelf: “Lees eerst de opgave voordat je naar de tekst gaat” — een expliciete aansporing tot scannend lezen, exact het scanning-mechanisme uit de conceptnotitie. Antwoordmodel: Anne Morrison; met coulanceregel (zie Correctieregels). 1p.
  • Vraag 35 (grensgeval, hoofdzakelijk getagd onder Impliciete informatie afleiden) — “What qualities does the main character look for most in a builder, judging from lines 1 to 31?” Dit is deels ook informatie selecteren binnen een afgebakend regelbereik (lines 1-31) t.b.v. een gestelde behoefte (welke kwaliteiten zoekt hij).

Betekenis van woorden en uitdrukkingen in context

Totaal: 3x (vragen 7, 11, 33)

  • Vraag 7 (Tekst 5, brief 2) — opgave, citeert bijlage. Kernvraag draait om de betekenis van ‘Psychological depth’ (laatste zin brief 2); kandidaat moet 4 citaten beoordelen of ze hiernaar verwijzen. Beweringenvraag-vorm, maar de vaardigheid die getoetst wordt is woordbetekenis/interpretatie van een begrip in context. 2p, partial credit (zie Correctieregels).
  • Vraag 11 — opgave, citeert bijlage: “‘It is a very modern downfall’ (paragraph 6)”. “Which of the following do reality stars lose in the process, according to paragraph 6?” MC A-D. 1p.
  • Vraag 33 (Tekst 9) — opgave, citeert bijlage: ”’… while the original infraction goes unresolved’ (alinea 5)”. Kandidaat beoordeelt 4 citaten of ze voorbeelden zijn van ‘original infraction’. Beweringenvraag-vorm rond woordbetekenis. 2p, partial credit.

Patroon: dit vraagtype verschijnt dit tijdvak steeds ingebed in een beweringenvraag (7, 33) of als losstaande MC met citaat-aanhaling in de vraagstelling (11) — niet als de klassieke “which is a correct definition of …?”-vorm uit de conceptnotitie.


Relaties tussen alinea’s en tekstdelen

Totaal: 4x (vragen 12, 13, 20, 23)

  • Vraag 12 — opgave. “How can paragraph 6 in its entirety be characterised?” MC A-D (opties: “a conscious exaggeration” / “a deliberate anachronism” / “an abstract representation” / “an explanatory comparison”). Exact dezelfde formulering (“How can paragraph X be characterised best?”) als het voorbeeld in de conceptnotitie, al gaat het hier om het karakteriseren van één alinea op zich (stijlmiddel: vergelijking met gentrificatie) i.p.v. een relatie tussen twee alinea’s — grensgeval met Functie van een alinea. 1p.
  • Vraag 13 — opgave, kort-antwoordvraag. “In welke twee opeenvolgende alinea’s wordt de opkomst en ondergang van reality-sterren van het begin tot het einde uiteengezet?” Antwoord: alinea’s 4 en 5; “Scorepunt alleen toekennen als beide alinea’s genoemd worden” (alles-of-niets bij twee gevraagde elementen — zie Correctieregels). 1p.
  • Vraag 20 — opgave. “Which of the following best characterises paragraph 9?” MC A-D, opties beginnend met “It advises / lists / makes clear / warns”. Zelfde karakteriseringspatroon als vraag 12. 1p.
  • Vraag 23 — opgave, citeert bijlage: “‘Similar effects occur among investors and in other areas.’ (alinea 2)”. “Wordt hier in een alinea verderop in de tekst nog op teruggekomen? Zo nee, antwoord ‘Nee’. Zo ja, noteer het nummer van de alinea.” Zuiver voorbeeld van doorlopende tekstrelatie (vooruit-/terugwijzing tussen alinea’s). Kort-antwoordvraag-vorm. 1p.

Functie van een alinea of tekstgedeelte

Totaal: 4x (vragen 2, 14, 17, 28)

  • Vraag 2 (Tekst 2) — opgave, citeert bijlage: “‘Science and art are two separate cultures’ (paragraph 1)”. “How does the writer of Feedback discuss this claim in paragraph 1?” MC A-D, opties met “by” + gerundium (emphasising/making fun of/noting/offering). Grensgeval met Auteursintentie en toon (ironische toon: “making fun of”). 1p.
  • Vraag 14 — opgave. “How is the subject of this article introduced in paragraph 1?” MC A-D. Vrijwel woordelijk het voorbeeld uit de conceptnotitie. 1p.
  • Vraag 17 — opgave. “What is paragraph 6 meant to make clear about Duckworth?” MC A-D. 1p.
  • Vraag 28 (Tekst 9) — opgave, citeert bijlage: “‘a personal trainer whose success on Instagram has landed him magazine coverage’ (paragraph 1)”. “What is the function of this remark?” — letterlijk de conceptnaam in de vraagstelling. MC A-D. 1p.

Auteursintentie en toon

Totaal: 3x (vragen 21, 30, 39; vragen 2 en 5 raken het randgebied)

  • Vraag 21 — opgave, citeert bijlage (titel als aanknopingspunt): “‘Teaching ‘grit’ is bad for children, and bad for democracy’ (titel)”. “In welke zin maakt de schrijver voor het eerst duidelijk dat hij vindt dat er een keerzijde aan het concept zit? Citeer de eerste twee woorden.” Draait om het herkennen waar de schrijver zijn eigen (kritische) opvatting laat blijken. Citeervraag-vorm. 1p.
  • Vraag 30 (Tekst 9) — opgave, citeert bijlage: “‘a group of public-service employees’ (paragraph 3)”. “How does Andray Domise present the behaviour of … ?” MC A-E (as conscientious/discreet/hypocritical/irrational/quick-tempered) — vraagt naar de manier waarop de auteur een groep afschildert = toon/framing. 1p.
  • Vraag 39 (Tekst 12) — opgave, gap-fill in de vraagstelling zelf (niet in de bijlage). MC A-E, opties als “critically overdue / fundamentally unfair / morally neutral / politically motivated” — vereist aanvoelen van de sarcastische/verontwaardigde toon van de ingezonden brief. 1p.
  • Randgeval Vraag 2 (zie boven, “making fun of” als optie) en vraag 5 (Marc Riese’s brief is zelf ironisch: hij begint elke zin met een voegwoord, precies de stijlfout waar hij kritiek op heeft — toon/zelfironie is hier essentieel voor het juiste antwoord).

Impliciete informatie afleiden

Totaal: 3x (vragen 9, 31, 35; vraag 3 raakt het randgebied)

  • Vraag 9 — opgave. “Which of the following can be concluded from paragraph 2 about celebrity weight loss DVDs?” — exact de voorbeeldformulering uit de conceptnotitie (“can be concluded from paragraph X”). MC A-D. 1p.
  • Vraag 31 (Tekst 9) — opgave. “Which of the following becomes clear about Maxime Bernier in paragraph 4?” MC A-E. Grensgeval met Standpunt en argumentatie herkennen (Bernier’s standpunt tegen positieve discriminatie moet worden afgeleid, niet letterlijk samengevat). 1p.
  • Vraag 35 (Tekst 10, literair fragment) — opgave. “What qualities does the main character look for most in a builder, judging from lines 1 to 31?” MC A-D. Vereist afleiden van karaktertrekken uit ironisch/humoristisch gedrag, niet uit expliciete uitspraken. 1p.
  • Randgeval Vraag 3 (gap-fill met beschrijvende frases over toon/houding t.o.v. het kunstwerk — vereist inferentie, maar valt primair onder Vraagtype meerkeuze-invulvraag).

Signaalwoorden en tekststructuur

Totaal: 4x (vragen 4, 19, 27, 34)

  • Vraag 19 — opgave, gat in bijlage-tekst (alinea 8). “Which of the following fits the gap in paragraph 8?” MC A-D: Already / Meanwhile / Nevertheless / Similarly — zuivere signaalwoorden-selectie. 1p.
  • Vraag 27 — opgave, gat in bijlage-tekst (alinea 7). MC A-D: Consequently / Indeed / Instead / Nevertheless. 1p.
  • Vraag 34 (Tekst 9) — opgave, gat in bijlage-tekst (alinea 6). MC A-D: Once / Since / Though / Until. 1p.
  • Vraag 4 (Tekst 3) — opgave, combineervraag: drie weggelaten zinnen (4-1, 4-2, 4-3) uit 6 opties (a-f) matchen, “er blijven drie zinnen over”. Dit is geen los signaalwoord maar een hele-zin-inpassing op basis van logische/structurele samenhang — grensgeval, sterk verwant aan tekststructuurherkenning maar primair getagd als Vraagtype combineervraag. 2p, partial credit.

Patroon: drie zuivere “fits the gap”-vragen met connectors (19, 27, 34) zijn steevast MC A-D met vier signaalwoorden die qua betekenis dicht bij elkaar liggen (bijv. “Nevertheless” komt in zowel vraag 19 als 27 als afleider/optie voor) — exact de valkuil die de conceptnotitie beschrijft.


Standpunt en argumentatie herkennen

Totaal: 3x (vragen 1, 6, 38; vraag 31 raakt het randgebied)

  • Vraag 1, 6, 38: alle drie ingezonden brieven (“Sir,” / “To the Editor” / “SIR ‒”), gevraagd naar “the point made by [naam] in this letter”. Zie ook Hoofdgedachte hierboven — dit tijdvak vallen “hoofdgedachte-van-een-brief” en “standpunt-van-de-briefschrijver” vrijwel volledig samen: alle 3 brief-vragen zijn getagd onder beide concepten.
  • Randgeval Vraag 31 (Bernier’s standpunt tegen “colour-blind”-beleid moet impliciet worden herkend — zie ook Impliciete informatie afleiden).

Vraagtype meerkeuzevraag

Totaal: 19x (vragen 1, 2, 6, 8, 9, 11, 12, 14, 17, 18, 20, 24, 25, 26, 28, 30, 31, 35, 38) — exclusief de 9 meerkeuze-invulvragen (apart geteld, zie hieronder)

  • Alle op de gebruikelijke manier: MC met meestal A-D, soms A-E (vragen 3, 30, 31, 39 hebben 5 opties) of zelfs maar 3 opties (vraag 18, uitzonderlijk). Elk 1p, geen deelscore.
  • Bijzonderheid vraag 18: slechts 3 antwoordopties (A-C) i.p.v. de gebruikelijke 4 — afwijkend van het standaardpatroon uit de conceptnotitie, het antwoordblad bevestigt dit (“18 A B C”).
  • Discrepantie met de conceptnotitie: de notitie Vraagtype meerkeuzevraag stelt dat bij geen of meer dan één omcirkelde letter “score N (niet beoordeelbaar)” wordt toegekend. Het correctievoorschrift van dit tijdvak (Algemene regel 4) zegt echter letterlijk: “Indien meer dan één antwoord gegeven is, worden eveneens geen scorepunten toegekend” — dus gewoon 0 punten, geen aparte N-kwalificatie. Waard om de notitie op te scherpen of te nuanceren (mogelijk is “N” een aanduiding uit Wolf/de verzamelstaat, niet uit het beoordelingsmodel zelf).
  • Bijzonderheid vraag 8 (correctievoorschrift, aanvulling 2023-1): het beoordelingsmodel geeft antwoord C, maar een officiële aanvulling op het correctievoorschrift bepaalt achteraf dat bij vraag 8 “altijd 1 scorepunt moet worden toegekend, ongeacht of er wel of geen antwoord gegeven is, en ongeacht het gegeven antwoord” — een erkende fout in het examen. Zeer relevant voor Correctieregels en scoring MVT (zie aldaar).
  • Samen met de meerkeuze-invulvragen vormen MC-vormen 28 van de 40 vragen / 28 van de 45 punten (~62%) — consistent met de “~60% van de scorepunten”-vuistregel uit de conceptnotitie.

Vraagtype meerkeuze-invulvraag

Totaal: 9x (vragen 3, 10, 15, 19, 22, 27, 29, 34, 39)

  • Vraag 3: 5 opties (A-E), beschrijvende frases over toon/attitude (bijv. “broadly dismissive of artistic endeavour”). 1p.
  • Vraag 10: 4 opties, volledige zinnen die inhoudelijk aansluiten. 1p.
  • Vraag 15: 4 opties, losse zelfstandig-naamwoord-frases (“a blessing / a bombshell / a challenge / a complication”). 1p.
  • Vraag 19, 27, 34: signaalwoorden (zie Signaalwoorden en tekststructuur). Elk 1p.
  • Vraag 22: 4 opties, volledige zinsdelen. 1p.
  • Vraag 29: 4 opties, volledige zinnen. 1p.
  • Vraag 39: 5 opties, adjectief-frases. 1p.

Patroon: het gat zit steeds middenin de bijlage-tekst zelf (niet in de vraagstelling), zoals de conceptnotitie beschrijft; de opties variëren dit tijdvak van pure signaalwoorden (3x) tot volledige zinnen/zinsdelen (4x) tot losse beschrijvende frases (2x).


Vraagtype beweringenvraag

Totaal: 3x (vragen 7, 33, 36)

  • Vraag 7 (Tekst 5) — “Geef aan of de volgende citaten uit brief 2 verwijzingen zijn naar wat Sarah Hartley bedoelt met ‘Psychological depth’ … Noteer ‘wel’ of ‘niet’.” 4 items. Scoring: 4 goed = 2p, 3 goed = 1p, ≤2 goed = 0p.
  • Vraag 33 (Tekst 9) — 4 citaten beoordelen als voorbeeld van ‘original infraction’ (wel/niet). Zelfde 2p-schaal (4/3/≤2).
  • Vraag 36 (Tekst 10) — 6 beweringen over de hoofdpersoon (wel/niet). Scoring: 6 goed = 3p, 5 goed = 2p, 4 goed = 1p, ≤3 goed = 0p.

Patroon: alle drie zijn “wel/niet”-vorm (niet “juist/onjuist” of “ja/nee”), en alle drie krijgen dezelfde staffel-scoring (max punten alleen bij alles goed, dan aflopend, met een harde ondergrens van 0 punten bij te veel fout) — nuttig als concreet lesvoorbeeld bij de Correctieregels-notitie.


Vraagtype combineervraag

Totaal: 1x (vraag 4)

  • Vraag 4 (Tekst 3, THE ETHICIST) — “Drie van de onderstaande zinnen (a t/m f) zijn uit de tekst weggelaten (zie 4-1, 4-2, 4-3). Geef bij elke plaats aan welke zin daar hoort… Let op: er blijven drie zinnen over.” 6 opties voor 3 gaten (dus 3 overtollige afleiders, exact zoals de conceptnotitie beschrijft). Scoring: 3 goed = 2p, 2 goed = 1p, ≤1 goed = 0p.

Vraagtype citeervraag

Totaal: 3x (vragen 21, 32, 37)

  • Vraag 21 — “Citeer de eerste twee woorden van deze zin.” Antwoord: “However, praising (alinea 3)”. Correctievoorschrift-opmerking: “Scorepunt ook toekennen als de juiste zin (deels) verder is overgenomen of de juiste zin op een andere manier is aangewezen” — precies de coulanceregel uit de conceptnotitie.
  • Vraag 32 — zelfde vorm. Antwoord: “In our (alinea 2)”, met dezelfde coulance-opmerking in het correctievoorschrift.
  • Vraag 37 — zelfde vorm, nu met regelverwijzing i.p.v. alinea (“regel 61” in de vraagstelling, tekst 10 heeft regelnummers i.p.v. alineanummers). Antwoord: “Most builders (regel 10)”, zelfde coulance-opmerking.

Patroon: alle drie citeervragen dit tijdvak zijn van het “hele-zin-citaat”-subtype (eerste twee woorden), geen enkele van het “precies-afgebakende zinsdeel”-subtype; en alle drie krijgen letterlijk dezelfde coulance-opmerking in het correctievoorschrift.


Vraagtype kort antwoord

Totaal: 4x (vragen 13, 16, 23, 40)

  • Vraag 13 — antwoord = twee alineanummers (“4 en 5”); alles-of-niets scoring (zie Correctieregels).
  • Vraag 16 — hybride: “Zo nee, antwoord ‘Nee’. Zo ja, noteer de naam van deze persoon.” Antwoord dit tijdvak: “Nee” (er is géén gemeenschappelijke ‘gritty hero’).
  • Vraag 23 — zelfde hybride vorm (“Zo nee… Zo ja, noteer het nummer van de alinea”). Antwoord: “(Ja, alinea) 7”.
  • Vraag 40 — antwoord = naam (“Anne Morrison”); coulance-opmerking: “Scorepunt ook toekennen als alleen de juiste voor- of achternaam is opgeschreven” — sluit direct aan op de notatie-vs-inhoud-regel uit de conceptnotitie.

Bijzonderheid: dit tijdvak komt de “Zo nee/Zo ja”-hybride (16, 23) twee keer voor — een variant die niet expliciet in de conceptnotitie “Vraagtype kort antwoord” beschreven staat (die noemt vooral alineanummer/naam/tussenkopje) en het overwegen waard is om aan die notitie toe te voegen.


Vraagtype open vraag in eigen woorden

Totaal: 1x (vraag 5)

  • Vraag 5 (Tekst 4, Style Guide) — “Hoe illustreert Marc Riese zijn punt van kritiek? Geef antwoord in het Nederlands.” Antwoordmodel geeft twee gelijkwaardige “strekking”-formuleringen (door “of” gescheiden, elk zelf weer met ”/“-alternatieven): (1) dat hij zelf voortdurend zinnen met een voegwoord begint, of (2) dat hij zelf doet wat hij bekritiseert. Puur inhoudelijke beoordeling, geen citaat toegestaan —klassiek voorbeeld van dit vraagtype.

Correctieregels en scoring MVT

Relevante bijzonderheden dit tijdvak:

  • Officiële aanvulling op het correctievoorschrift (2023-1) bij vraag 8: “altijd 1 scorepunt toekennen, ongeacht of er wel of geen antwoord gegeven is, en ongeacht het gegeven antwoord.” Dit is een erkende examenfout (zie NB3 in de conceptnotitie: “Een fout” als reden voor een aanvulling) — een zeldzaam, concreet voorbeeld om aan de notitie te koppelen. De aanvulling staat tweemaal afgedrukt in de bundel (bundel-p. 220 en 221, identieke tekst) en is ondertekend door de voorzitter van het CvTE.
  • Discrepantie: vakspecifieke regel over citeervragen ontbreekt dit jaar. De conceptnotitie Correctieregels en scoring MVT noemt drie vakspecifieke regels, waaronder “2. Citeervragen: altijd in de vreemde taal; een vertaling of parafrase levert 0 punten op.” In het correctievoorschrift van dit tijdvak (sectie 3, “Vakspecifieke regels”) staan echter maar twee genummerde regels: (1) open vragen in het Nederlands tenzij anders aangegeven, en (2) geen aftrek voor taalfouten. De citeervraag-in-vreemde-taal-eis wordt hier niet als aparte, apart genummerde vakspecifieke regel opgenomen (al blijft ze materieel gelden doordat citeervragen om een letterlijk Engels citaat vragen). Waard om te verifiëren of dit een vast onderdeel van de regeling is dat in latere tijdvakken weer wél apart genoemd wordt, of dat de derde regel structureel is weggevallen.
  • Discrepantie: MC-foutscore is 0 punten, niet “N” — zie bij Vraagtype meerkeuzevraag hierboven.
  • CV-regel 3.8 (haakjes in het beoordelingsmodel hoeven niet in het antwoord voor te komen) wordt dit tijdvak zichtbaar toegepast in de antwoordmodellen van de kort-antwoord- en citeervragen: “(alinea’s) 4 en 5” (vraag 13), “(Ja, alinea) 7” (vraag 23), “However, praising (alinea 3)” (vraag 21), “In our (alinea 2)” (vraag 32), “Most builders (regel 10)” (vraag 37) — het tussen-haakjes-gedeelte is telkens optionele toelichting, geen verplicht antwoordonderdeel.
  • CV-regel 3.9 (een antwoord dat vakinhoudelijk onjuist is maar wel een algemeen geldende woordenboekbetekenis volgt, krijgt geen scorepunten) is dit tijdvak niet aan een specifieke vraag te koppelen, maar is de enige plek waar het correctievoorschrift zelf raakt aan de notitie Woordenboekgebruik in het examen (zie onderaan).
  • Partial-credit-staffels komen dit tijdvak voor bij: combineervraag (4: 2/1/0 voor 3/2/≤1 goed), beweringenvragen (7 en 33: 2/1/0 voor 4/3/≤2 goed; 36: 3/2/1/0 voor 6/5/4/≤3 goed) en bij kort-antwoordvraag 13 (alles-of-niets bij 2 gevraagde elementen — een toepassing van regel 3.5 uit de Algemene regels: “indien meer dan één antwoord gevraagd wordt, worden uitsluitend de eerstgegeven antwoorden beoordeeld, tot maximaal het gevraagde aantal”, hier gecombineerd met “scorepunt alleen bij beide juist”). Het antwoordblad drukt dit visueel af: bij vraag 13 staan in de kolom “Open vragen” twee lege deelslots (“13 → 1 / 2”) voorgedrukt, wat de “beide alinea’s”-eis fysiek bevestigt.
  • Citeervraag-coulance (vragen 21, 32, 37): steeds dezelfde opmerking “scorepunt ook toekennen als de juiste zin (deels) verder is overgenomen of de juiste zin op een andere manier is aangewezen” — bevestigt dat over-citeren bij het hele-zin-subtype (i.t.t. het precies-afgebakende subtype) juist wél coulant beoordeeld wordt.
  • Kort-antwoord-coulance (vraag 40): voor- of achternaam alleen is al voldoende — notatie-instructie ondergeschikt aan inhoud.
  • Vakspecifieke regel 1 (open vragen in het Nederlands) is dit tijdvak van toepassing op vragen 5, 13, 16, 23, 40 (alle Nederlandstalige open/korte vragen); bij Engelstalig antwoord: 0 punten.
  • Standaard MC-scoring (Algemene regel 4: bij meer dan één omcirkeld antwoord geen scorepunt) is impliciet van toepassing op alle 28 MC/invulvragen.
  • Antwoordblad — foutcorrectieprocedure (instructieblok bovenaan blad 1): fout antwoord doorkruisen en een ander omcirkelen; is dát ook fout, weer doorkruisen en opnieuw omcirkelen; is ook die optie al doorgekruist, dan de letter van de definitieve keuze vóór het vraagnummer noteren. Dit is het concrete, door de kandidaat te volgen mechanisme achter de MC-scoringsregel (“meer dan één antwoord gegeven → 0 punten”) — relevant als praktisch voorbeeld bij de notitie.
  • Openingsinstructie van het opgavenboekje herhaalt expliciet regel 3.4/3.5 in eigen woorden: “Geef niet meer antwoorden … dan er worden gevraagd. Als er bijvoorbeeld één zin wordt gevraagd en je antwoordt met meer dan één zin, dan wordt alleen de eerste zin in de beoordeling meegeteld” — rechtstreeks te koppelen aan de conceptnotitie-regels 3.4/3.5.

Niet (direct) bevraagd dit tijdvak

  • Tekstsoorten en tekstdoelen: geen enkele vraag toetst expliciet het herkennen van tekstsoort/tekstdoel als zodanig, ondanks een gevarieerd aanbod (6 brieven, artikelen/columns, 1 literair fragment).
  • Vraagtype ordeningsvraag: komt dit tijdvak niet voor.
  • Woordenboekgebruik in het examen: geen vraag-specifieke raakvlakken op vraagniveau (dit is een generieke hulpmiddelenregel, niet aan een vraagnummer gekoppeld) — maar wél op correctievoorschrift-niveau: Algemene regel 3.9 is de enige plek waar het CV zelf naar woordenboekgebruik verwijst (zie Correctieregels en scoring MVT).