Overzicht examen

12 teksten: 1 review (film), 1 informatief artikel (justitie/besluitvorming), 1 opiniestuk (Guardian, Pearson/boeken), 1 theaterrecensie, 2 ingezonden brieven (huisvesting), 1 boekrecensie (taalkunde), 1 boekrecensie (lokale journalistiek), 1 literair fragment (Merle/verhaal), 1 non-fictie artikel (Orwell/1984), 1 ingezonden brief (Dyer situation), 1 ingezonden brief (A New Approach), 1 informatieve/zakelijke tekst (Arcology). Vraagtypeverdeling: 24 gewone meerkeuzevragen, 7 meerkeuze-invulvragen (gap-fill), 4 beweringenvragen, 2 combineervragen, 3 kort-antwoordvragen, 3 citeervragen, 0 “echte” open vragen in eigen woorden.


Hoofdgedachte van een tekst of alinea

Sterk vertegenwoordigd concept — 11 vragen.

  • Q5 (opgave, Tekst 3): “What does Eliane Glaser say about Pearson in paragraphs 3-5?” — hoofdgedachte over meerdere alinea’s, 1p.
  • Q12 (Tekst 6): “What is the main point made about humans in paragraphs 1-2?” — klassieke formulering, 1p.
  • Q15 (Tekst 6): “What is the main point made in paragraph 5?” — standaardformat, 1p.
  • Q21 (Tekst 7): “What is said about ‘Ghosting the News’ in paragraph 5?” — hoofdpunt van alinea, 1p.
  • Q23 (Tekst 7): “What is the main point made in paragraph 7?” — 1p.
  • Q25 (Tekst 7): “Which of the following best captures the point made in paragraph 10?” — antwoordopties zijn idiomatische gezegdes (raakt ook Betekenis van woorden/uitdrukkingen), 1p.
  • Q31 (Tekst 8): “Which of the following would be the most fitting subtitle to this fragment?” — hoofdgedachte van het hele fragment als ondertitel, 1p.
  • Q33 (Tekst 9): “How is 1984 presented in paragraph 2?” — 1p.
  • Q35 (Tekst 9): “What is the main point made about our present society in paragraph 3?” — 1p.
  • Q38 (Tekst 9): “Which of the following headings fits paragraph 6?” — variant: kopje kiezen i.p.v. antwoordzin samenvatten, 1p.
  • Q41 (Tekst 11): “What would this ‘new approach’ come down to, according to the text?” — hoofdgedachte n.a.v. titelcitaat, 1p.

Gewicht: hoog (11/43 vragen ≈ 26%, elk 1p) — dit blijft duidelijk het meest gevraagde concept.

Relaties tussen alinea’s en tekstdelen

7 vragen, vaak gecombineerd met citeer- of kort-antwoordvragen.

  • Q6 (Tekst 3, opgave+correctievoorschrift): titel “‘Books still hold the upper hand’” — “Welke zin in de tekst bevestigt deze uitspraak voor het eerst? Citeer de eerste twee woorden.” Antwoord: “The majority (alinea 5)”. Correctievoorschrift-opmerking: scorepunt ook bij (deels) verder overgenomen zin.
  • Q16 (Tekst 6): quote ‘A more controversial claim’ (alinea 6) → “What has undermined support for this claim?” — relatie tussen aangehaalde claim en vervolg van de alinea.
  • Q17 (Tekst 6): “Heeft de schrijver van deze recensie al in een eerdere alinea een oordeel over de stijl van het boek gegeven?” — terugverwijzing naar eerdere alinea; antwoord “Nee”.
  • Q18 (Tekst 7): beweringenvraag — of citaten uit alinea 2 verwijzen naar het proces beschreven in alinea 1 (‘wel’/‘wel’).
  • Q19 (Tekst 7): quote ‘The far-reaching effects are cataclysmic’ (alinea 2) → “In welke zin verderop in de tekst wordt voor het eerst genoemd om welke gevolgen het gaat? Citeer de eerste twee woorden.” Antwoord “But what (alinea 3)”; opmerking: ook goed als begonnen wordt met ‘the shuttering’.
  • Q27 (Tekst 8): “In welke latere alinea wordt voor het eerst duidelijk dat Merle denkt te weten wat de beveiliger werkelijk van plan is?” — vooruit-/terugverwijzing tussen tekstdelen.
  • Q34 (Tekst 9): quote ‘The book defines the peculiar characteristics of modern tyranny.’ (alinea 3) → “Welke alinea is de laatste alinea waarin een van deze eigenschappen wordt genoemd?”

Gewicht: middelhoog-hoog. Opvallend patroon dit tijdvak: veel van deze vragen geven een citaat uit één alinea en vragen naar de (eerste of laatste) alinea elders in de tekst die daarnaar terugverwijst of het bevestigt/uitwerkt — vaak in combinatie met Vraagtype citeervraag of Vraagtype kort antwoord.

Impliciete informatie afleiden

7 vragen — typische formulering “can be concluded” / “becomes clear”.

  • Q1 (Tekst 1): “How is Queen Anne portrayed in this movie?” — conclusie over karakterisering.
  • Q3 (Tekst 2, beweringenvraag): bewering 2 “There is a causal relationship between repetitive decision-making and the number of alternatives considered” — impliciete causale relatie afleiden.
  • Q22 (Tekst 7): “What becomes clear about Warren Buffett in paragraph 6?”
  • Q26 (Tekst 8): “Which of the following can be concluded about Merle from paragraphs 1-2?” — schoolvoorbeeld van de standaardformulering.
  • Q27 (Tekst 8): impliciete conclusie wanneer Merle denkt te weten wat de beveiliger van plan is (ook bij Relaties tussen alinea’s).
  • Q32 (Tekst 9): “What can be concluded about Orwell from paragraph 1?”
  • Q39 (Tekst 9): “Which of Orwell’s character traits are especially stressed in paragraph 7?” — impliciete karaktertrekken afleiden uit voorbeelden in de tekst.

Gewicht: hoog, vergelijkbaar aandeel als Hoofdgedachte.

Betekenis van woorden en uitdrukkingen in context

6 vragen; herhaald patroon: geciteerde term/uitdrukking tussen aanhalingstekens, gevolgd door MC-opties met omschrijvingen of idiomen.

  • Q14 (Tekst 6): “‘This ‘recursive’ structure is key to syntax.’ (paragraph 4) — Which of the following describes the capacity for ‘recursive’ structure?” — direct schoolvoorbeeld van het vraagtype.
  • Q24 (Tekst 7, gap-fill): ontbrekend bijvoeglijk naamwoord in alinea 8 (cutting-edge/hands-off/ill-mannered/narrow-minded/up-front).
  • Q25 (Tekst 7): antwoordopties zijn idiomatische uitspraken (“Facing the truth will set you free” etc.) als samenvatting van alinea 10.
  • Q40 (Tekst 10, citeervraag): titel “‘Dyer situation’” → “Welk woord in deze brief benoemt de vorm van onrechtvaardigheid waar deze titel naar verwijst? Citeer dit woord.” Antwoord: “(this) disparity (regel 11)”.
  • Q41 (Tekst 11): titelcitaat ‘A New Approach’ uitgewerkt in MC-opties.
  • Q42 (Tekst 11, gap-fill): ontbrekende idiomatische uitdrukking (‘you can’t judge a book by its cover’ e.d.).

Gewicht: middelhoog. Bijzonderheid: dit tijdvak combineert woordbetekenis-in-context vaak met titels van teksten/brieven (Q40, Q41) — de titel fungeert als het te verklaren “woord/uitdrukking”.

Signaalwoorden en tekststructuur

4 gap-fill-vragen, waarvan Q13 het zuiverste voorbeeld van klassieke connectors.

  • Q4 (Tekst 2, alinea 3): opties zijn tijdsaanduidingen/omstandigheden (After yet another break / As sessions drag on / Being given more time / Early in the morning / Having had a light snack).
  • Q9 (Tekst 4, alinea 4): opties zijn volledige clausules, geen pure signaalwoorden maar wel structuur-/logica-afhankelijk.
  • Q13 (Tekst 6, alinea 4): zuivere signaalwoorden — Consequently / Meanwhile / Obviously / Paradoxically.
  • Q37 (Tekst 9, alinea 5): opties met werkwoordsvormen die elk een andere logische relatie tot het voorgaande uitdrukken (aims to explain / has exposed the inconsistencies between / is rooted in the struggles between / tries to right the wrongs of).

Gewicht: middel. Let op: niet elke meerkeuze-invulvraag is een zuiver signaalwoord — sommige (Q9, Q24, Q36, Q42) vullen een inhoudelijke clausule/woordgroep i.p.v. een connector; alleen Q4, Q13, Q37 zijn primair structuur-/signaalwoord-gedreven.

Functie van een alinea of tekstgedeelte

3 vragen, telkens met “to …”-achtige of introductie-achtige formulering.

  • Q8 (Tekst 4): “How is The Mad Hatter’s Tea Party introduced in paragraphs 1-3?” — functie van de openingsalinea’s.
  • Q20 (Tekst 7): “What is the goal of paragraph 4?” — klassieke functievraag.
  • Q29 (Tekst 8): quote ‘with the neat and tidy way she always dressed… the word that would have come to mind is church’ (paragraph 5) → “What is the function of this description?”

Gewicht: laag-middel.

Auteursintentie en toon

2 vragen.

  • Q7 (Tekst 3): “How can the tone of this article as a whole be characterised best?” (apologetic/detached/informal/irritated/sarcastic) — directe toonvraag over de gehele tekst.
  • Q30 (Tekst 8, literair fragment): “How can Merle’s behaviour as described in this fragment best be characterised?” (anxious/defiant/impatient/resigned) — hier gaat het om de houding/het gedrag van een personage in een literair fragment, niet de auteur zelf, maar valt onder dezelfde vaardigheid (toon/houding afleiden uit woordkeuze en beschrijving).

Gewicht: laag, maar met een variant (personage-toon i.p.v. auteurstoon) die het waard is te noemen bij het oefenen.

Standpunt en argumentatie herkennen

1 vraag.

  • Q2 (Tekst 1, filmrecensie): “Why should we go and see this film, according to this review?” — argumentatie/aanbeveling van de recensent.

Gewicht: laag dit tijdvak (recensies leveren vaker hoofdgedachte- of toonvragen op dan expliciete standpuntvragen).

Vraagtype meerkeuzevraag

24 van de 43 vragen (56%) zijn gewone MC-vragen (A-D of A-E), verspreid over vrijwel elke tekst. Scoring steeds: 1 scorepunt bij juist antwoord, 0 bij fout of bij meer dan één omcirkeld antwoord (expliciet herhaald in correctievoorschrift §2.4).

Vraagtype meerkeuze-invulvraag

7 gap-fill-vragen: Q4, Q9, Q13, Q24, Q36, Q37, Q42 — verdeeld over signaalwoorden (Q4, Q13, Q37) en inhoudelijke woordgroepen/idiomen (Q9, Q24, Q36, Q42). Zelfde scoringslogica als gewone MC.

Vraagtype beweringenvraag

4 vragen, alle met partial-credit scoringsschema in het correctievoorschrift:

  • Q3 (2 beweringen, 1p): “indien twee goed → 1, indien een of geen goed → 0”.
  • Q10 (4 beweringen, 2p): “indien vier goed → 2 / drie goed → 1 / twee of minder → 0”.
  • Q18 (2 beweringen, 1p): zelfde schema als Q3.
  • Q28 (6 beweringen, 3p): “indien zes goed → 3 / vijf goed → 2 / vier goed → 1 / drie of minder → 0” — grootste beweringenvraag van dit tijdvak, in het Nederlands gesteld over een Engels literair fragment (Tekst 8). Alle beweringenvragen gebruiken ‘wel’/‘niet’ als antwoordcategorie.

Vraagtype combineervraag

2 vragen:

  • Q11 (Tekst 5, 2p): twee ontbrekende zinnen (11-1, 11-2) matchen met 5 mogelijke zinnen (a-e); “Let op: er blijven drie zinnen over.” Correctievoorschrift: 11-1 = c, 11-2 = a, elk 1p.
  • Q43 (Tekst 12, 2p): vier ontbrekende kopjes matchen met 7 mogelijke kopjes (a-g); “Let op: er blijven drie kopjes over.” Scoring: 4 goed=2, 3 goed=1, 2 of minder=0 (zelfde trapsgewijze scoring als beweringenvragen).

Vraagtype kort antwoord

3 vragen, telkens antwoord = alinea-nummer (of ‘Nee’):

  • Q17: “Nee” (zie ook Relaties tussen alinea’s).
  • Q27: alinea-nummer waarin duidelijk wordt wat Merle denkt.
  • Q34: “(alinea) 6”.

Vraagtype citeervraag

3 vragen, telkens in het Engels te citeren:

  • Q6: eerste twee woorden van de zin (“The majority”), met correctievoorschrift-opmerking dat een (deels) verder overgenomen zin ook goed is.
  • Q19: eerste twee woorden (“But what”), met extra alternatief toegestaan (‘the shuttering’).
  • Q40: citeer precies één woord (“disparity”), met regelverwijzing “(regel 11)” in het correctievoorschrift — bevestigt dat bij precies-afgebakende citeervragen de minimale eenheid (hier: één woord) leidend is.

Correctieregels en scoring MVT

Dit tijdvak illustreert vrijwel alle kernregels uit de notitie:

  • Trapsgewijze partial-credit-scoring bij meervoudige deelvragen (beweringenvragen Q3/Q10/Q18/Q28 én combineervragen Q11/Q43) — steeds expliciet uitgeschreven als “indien X goed → Y scorepunten”.
  • Citeervraag-coulance (regel 3.7/8-achtig in de geest): bij Q6 en Q19 expliciete “Opmerking” dat een verder overgenomen zin of een alternatieve eerste twee woorden (‘the shuttering’) ook goed gerekend worden — concreet bewijs dat het correctievoorschrift ruimer is dan de kale antwoordstring.
  • Algemene MC-regel (§2.4) letterlijk vermeld: bij geen of meer dan één omcirkeld antwoord geen scorepunten.
  • Vakspecifieke regel 1 (open vragen in het Nederlands, tenzij anders aangegeven; bij vreemde taal 0 punten) en regel 2 (geen aftrek voor taalfouten) staan als vaste boilerplate in §3, maar worden dit tijdvak niet op een concrete “eigen woorden”-vraag toegepast omdat zo’n vraag ontbreekt (zie hieronder).
  • Totaal 43 vragen / 48 punten, consistent met de puntentelling per vraag (1p standaard, 2p bij Q10/Q11/Q43, 3p bij Q28).

Niet (of nauwelijks) aangetroffen dit tijdvak

  • Relevante informatie selecteren: geen vraag van het type “voor welke situatie/persoon past deze tekst/advertentie het best” — dit tijdvak bevat geen scanning-achtige matching van een lezersbehoefte aan tekst(deel)en.
  • Tekstsoorten en tekstdoelen: geen expliciete vraag naar het type/doel van een tekst, al zijn de bronnen zelf divers (filmrecensie, ingezonden brieven, boekrecensies, literair fragment, zakelijke/informatieve tekst) — relevant als achtergrond bij Hoofdgedachte- en Auteursintentievragen, maar niet apart bevraagd.
  • Vraagtype open vraag in eigen woorden: geen enkele vraag dit tijdvak vereist een vrij geformuleerd Nederlands antwoord in eigen woorden; alle open vragen zijn kort-antwoord (alinea-nummer) of citeervraag (letterlijk citaat).
  • Woordenboekgebruik in het examen: dit is een generieke regeling (toegestane hulpmiddelen), niet gebonden aan specifieke examenvragen — komt in de opgave/correctievoorschrift van dit tijdvak niet expliciet terug.