Digest 2025 tijdvak 2 — concept-hits

Algemene structuur dit tijdvak: 13 teksten, 41 vragen. Tekstsoortverdeling (zie ook eigen kopje onderaan): 6 ingezonden brieven (1,2,3,4,11,12), 3 opiniecolumns (6,7,8), 1 recensie/column (5), 1 satirisch stuk (10), 1 onlinefeature (9), 1 pro/con-overzicht (13). Vraagtypeverdeling: 19 klassieke meerkeuzevragen + 10 meerkeuze-invulvragen (=29 MC-achtige items, ≈62% van de 47 scorepunten — bevestigt de “~60%” uit de Meerkeuzevraag-notitie), 4 citeervragen, 3 combineervragen, 2 beweringenvragen, 2 open vragen in eigen woorden, 1 ordeningsvraag, 0 kort-antwoordvragen. Som: 19+10+4+3+2+2+1 = 41. ✓

Antwoordblad-bijzonderheid (geldt voor meerdere vraagtypen): het antwoordblad heeft maar twee kolommen, “Meerkeuzevragen” en “Open vragen”. Alle niet-MC-vragen (combineer-, citeer-, beweringen- en ordeningsvragen) staan zonder onderscheid in de kolom “Open vragen” — kolomlabel ≠ vraagtype. Relevant voor Vraagtype combineervraag, citeervraag, beweringenvraag en ordeningsvraag.


Hoofdgedachte van een tekst of alinea

Aantal: 11 vragen — Q3, Q4, Q8, Q12, Q13, Q25, Q29, Q33, Q35, Q37, Q41 Gewicht: 11/41 ≈ 27% van de vragen — grootste leesvaardigheid-concept dit tijdvak. Waar: opgave/vraagstelling (alle 11); bijlage/tekst (impliciet, als brondata).

  • Q3 — opgave. “What has The Chronicle done to deserve this praise?” (hoofdgedachte alinea 1, ingeleid door citaat).
  • Q4 — opgave, meerkeuze-invulvraag-vorm. Gat herformuleert het onderwerp van alinea 3 (“campaign finance”).
  • Q8 — opgave. “How does the writer characterise Top Gun: Maverick in paragraph 2?”
  • Q12 — opgave. “What is one of the points made about the film industry in paragraph 6?”
  • Q13 — opgave. “What does the writer… make clear… in paragraph 7?”
  • Q25 — opgave. “What is the point made at the end of paragraph 7?” — let op: hoofdgedachte van een deel vd alinea (het einde), niet de hele alinea.
  • Q29 — opgave. “What is paragraph 1 meant to make clear?” — bijzonderheid: slechts 3 opties (A-C), zie ook Vraagtype meerkeuzevraag.
  • Q33 — opgave. “What does the writer… dislike most about ‘Girlboss culture’… judging from this text as a whole?” — hoofdgedachte toegepast op de hele tekst, niet één alinea; overlapt met Standpunt en argumentatie herkennen.
  • Q35 — opgave, meerkeuze-invulvraag-vorm. Gat herhaalt de kernboodschap van alinea 2 over de veelzijdigheid van imho.
  • Q37 — opgave. “Which conclusion does this text lead up to?” — hoofdgedachte van de hele tekst.
  • Q41 — opgave/bijlage, combineervraag-vorm. Elke alinea van Tekst 13 moet gekoppeld worden aan de tussenkop die de hoofdgedachte ervan het beste samenvat.

Relevante informatie selecteren

Aantal: 1 vraag — Q38 Gewicht: 1/41 ≈ 2%, dus dit tijdvak duidelijk ondervertegenwoordigd t.o.v. andere concepten. Waar: opgave/vraagstelling.

  • Q38 — “What did the Tory party ‘issue a grovelling apology’ for? (line 9)” — vraagt om het specifieke feitelijke detail achter een citaat, uit een kort satirisch tekstje met regelnummers (Tekst 10 heeft regelnummers i.p.v. alineanummers). Bijzonderheid: 5 opties (A-E), zie Vraagtype meerkeuzevraag.

Betekenis van woorden en uitdrukkingen in context

Aantal: 4 vragen — Q5, Q6, Q7, Q19 Gewicht: 4/41 ≈ 10%. Waar: opgave/vraagstelling + bijlage/tekst (citaat/woordgroep zelf); Q7 en Q19 ook correctievoorschrift (scoringsnuance).

  • Q5 — combineervraag-vorm. “Geef aan voor 5-1 en 5-2 welke woordgroep daar is weggelaten… Let op: er blijven vijf woordgroepen over.” Testen van woordgroepbetekenis-in-context, niet losse woorddefinitie.
  • Q6 — meerkeuze-invulvraag-vorm. Gat vraagt om het woord dat het in de vorige zinnen beschreven verschijnsel benoemt (antwoord: Zealotry).
  • Q7 — open vraag NL. Gebaseerd op citaat ‘skin stretched taut by forces greater than G-force’ — figuurlijke taal die vertaald moet worden naar de bedoelde letterlijke betekenis (facelift/plastische chirurgie). CV-opmerking: “Voor een antwoord als ‘Hij is oud’ geen scorepunt toekennen” — expliciete afbakening van hoe ver de context-interpretatie mag gaan.
  • Q19 — citeervraag (precies-afgebakend). “Welk werkwoord is een voorbeeld van beeldspraak dat verwijst naar een hedendaags middel om verkeersstromen te reguleren?” (antwoord: green-light — beeldspraak/idioom herkennen). CV: “Geen scorepunt toekennen als er meer is geciteerd dan hierboven staat of minder dan het deel dat niet tussen haakjes staat” — koppelt aan regel 3.8 (haakjes-gedeelte optioneel).

Relaties tussen alinea’s en tekstdelen

Aantal: 3 vragen — Q9, Q14, Q34 Gewicht: 3/41 ≈ 7%. Alle drie zijn tegelijk citeervragen (hele-zin-subtype) — dit vraagtype en dit concept vallen dit tijdvak vrijwel samen. Waar: opgave/vraagstelling + bijlage/tekst.

  • Q9 — “Welke zin in een alinea verderop in de tekst is een herhaling van deze mededeling? Citeer de eerste twee woorden.” (relatie: herhaling tussen alinea 3 en alinea 5).
  • Q14 — “In welke zin wordt voor het eerst concreet gemaakt op welke manier beide tradities geschonden worden? Citeer de eerste twee woorden.” (relatie: abstract punt alinea 1 → concretisering in alinea 2).
  • Q34 — “In welke zin uit een andere alinea wordt voor het eerst duidelijk dat de uitdrukking imho wereldwijd mensen bezighoudt? Citeer de eerste twee woorden.” (relatie tussen alinea 1 en alinea 3).

Functie van een alinea of tekstgedeelte

Aantal: 5 vragen — Q16, Q21, Q26, Q28, Q31 Gewicht: 5/41 ≈ 12%. Waar: opgave/vraagstelling; Q21 ook bijlage (citaat).

  • Q16 — “What is the function of the ‘Reasonable questions’ (paragraph 3)?” — schoolvoorbeeld: opties starten letterlijk met “to” (to accommodate/list/raise/refute).
  • Q21 — open vraag NL, gebaseerd op citaat over vuilnisophaaldagen. “Welk punt over het relativisme maakt de schrijver in alinea 2 met deze opmerking?” — functie van een specifiek voorbeeld/opmerking binnen het betoog.
  • Q26 — “What is the main function of paragraph 8?” — opties starten met “to” (to assert/concede/dispute/question).
  • Q28 — “What are the examples in paragraph 10 meant to underline?” — functie van voorbeelden binnen de alinea.
  • Q31 — “What is the function of presenting this scenario?” (paragraph 5) — opties starten met “to”.

Auteursintentie en toon

Aantal: 4 vragen — Q1, Q20, Q22, Q40 Gewicht: 4/41 ≈ 10%. Waar: opgave/vraagstelling + bijlage (citaat).

  • Q1 — gebaseerd op citaat ‘But there’s an irony here.’ “What is the irony here, according to Robert Glass?” — directe toepassing van de notitie-aanpak over ironie (letterlijke betekenis ≠ bedoelde intentie).
  • Q20 — gebaseerd op citaat ‘Oh, hooray for actress Cate Blanchett. What wisdom!’ “How can this remark be characterised?” — valkuil: intuïtief lijkt dit sarcasme (optie D), maar het juiste antwoord is C “a heartfelt approval” — de schrijver is het daadwerkelijk eens met Blanchett (“She’s right”). Waardevol voor de Aanpak-sectie van deze notitie.
  • Q22 — gebaseerd op citaat ‘(Mine. I am not a relativist.)’ “What is the tone of this remark?” (antwoord: C tongue-in-cheek). Tweede expliciete toonvraag in dezelfde tekst (Tekst 7) — dit tijdvak clustert toonvragen sterk in één opiniestuk.
  • Q40 — “Why did Esme Wren write this letter?” — vrijwel letterlijk de voorbeeldformulering uit de notitie (“Why does [auteur] mention/write…”).

Impliciete informatie afleiden

Aantal: 6 vragen — Q10, Q11, Q15, Q17, Q30, Q39 Gewicht: 6/41 ≈ 15%. Waar: opgave/vraagstelling; Q10, Q11, Q15, Q17 zijn tegelijk meerkeuze-invulvraag (gat met inhoudelijke, niet-connector opties).

  • Q10 — combineervraag. Kwalificaties koppelen aan Brad Pitt/Clooney/Hemsworth o.b.v. karakterschetsen in alinea 4 — vereist afleiding, niet letterlijk genoemd label.
  • Q11 — gat: “At this distance, it almost ___” → “aids his appeal” (impliciete conclusie over Cruise’s vreemdheid).
  • Q15 — gat: “a ruling that the Government has ___” → “now decided to set aside” (impliciete conclusie over regeringsgedrag).
  • Q17 — gat: “It is not only ___ who have pointed this out” → “environmental agencies”, af te leiden uit de tegenstelling “nobody’s idea of tree-huggers”.
  • Q30 — “What does the writer… suggest about ‘girlboss culture’ in paragraph 3?” — expliciet “suggest” = impliciete informatie.
  • Q39 — “Which of the following can be deduced about out-of-state students from the letter?” — expliciet “deduced”. Bijzonderheid: 5 opties (A-E).

Signaalwoorden en tekststructuur

Aantal: 2 vragen — Q23, Q27 Gewicht: 2/41 ≈ 5%. Waar: opgave/vraagstelling + bijlage (het gat/de fragmenten staan in de tekst zelf).

  • Q23 — meerkeuze-invulvraag met echte signaalwoorden als opties: “A All the same B In short C Moreover D Therefore” — dit is de énige gap-fill-vraag dit tijdvak die daadwerkelijk connectoren als opties heeft.
  • Q27 — ordeningsvraag. Drie tekstfragmenten (a/b/c) in de juiste volgorde zetten o.b.v. logische signalen (“After all…”, “That, though, is the vital point…”, “This conviction…”). Combineert dit concept met Vraagtype ordeningsvraag.

Let op — niet te verwarren met het bredere vraagformat: 8 andere vragen (Q2, Q4, Q6, Q11, Q15, Q17, Q18, Q32, Q35) hebben dezelfde vraagstelling (“Which of the following fits the gap…”) maar testen geen signaalwoorden/connectoren — de opties zijn inhoudelijke woorden/woordgroepen. Die zijn elders ondergebracht (Betekenis van woorden, Impliciete informatie, Hoofdgedachte, Standpunt). Formaat-telling (10 meerkeuze-invulvragen) ≠ concept-telling (2 signaalwoord-hits) — zie ook Vraagtype meerkeuze-invulvraag hieronder.


Standpunt en argumentatie herkennen

Aantal: 5 vragen — Q2, Q18, Q24, Q32, Q36 Gewicht: 5/41 ≈ 12%. Waar: opgave/vraagstelling; Q2, Q18, Q32 zijn tegelijk meerkeuze-invulvraag.

  • Q2 — gat: “Considering punishment as a deterrent is ___” → “more productive” — herformuleert het standpunt van de briefschrijver (Bill Foster) over afschrikking als strafdoel.
  • Q18 — gat: “spending billions on a development that ___” → “offers such terrible value for money” — herhaalt het standpunt van de auteur tegen de Stonehenge-tunnel.
  • Q24 — beweringenvraag (2p). “Komen de volgende beweringen overeen met de mening van de schrijver… Noteer ‘wel’ of ‘niet’.” 4 deelbeweringen over Oprah/Rhonda Byrne.
  • Q32 — gat: slogans ”___” → “don’t seem so empowering” — herformuleert de kritiek van de auteur op confidence culture.
  • Q36 — beweringenvraag (2p). “Komen de volgende beweringen overeen met de opvattingen van de schrijver…” — 4 deelbeweringen over imho.

Tekstsoorten en tekstdoelen

Aantal: geen vraag test dit concept rechtstreeks (geen vraag vraagt letterlijk naar tekstsoort/tekstdoel), maar het is dit tijdvak sterk aanwezig als achtergrondkenmerk. Gewicht: n.v.t. als directe vraag-hit; wel relevant voor de interpretatie van vrijwel alle Hoofdgedachte/Standpunt/Auteursintentie-vragen. Waar: bijlage/tekst (tekstsoort staat impliciet in de bron, bijv. “To the Editor”, bronvermelding onderaan elke tekst).

  • Observatie: 6 van de 13 teksten zijn ingezonden brieven (1, 2, 3, 4, 11, 12) — sterk persuasief, wat verklaart waarom Standpunt en argumentatie herkennen en Auteursintentie en toon dit tijdvak zwaar wegen. 3 opiniecolumns (6, 7, 8), 1 recensie (5), 1 satirisch stuk (10), 1 onlinefeature (9), 1 pro/con-overzicht (13, letterlijk beide kanten van een debat).

Vraagtype meerkeuzevraag

Aantal: 19 vragen — Q1, Q3, Q8, Q12, Q13, Q16, Q20, Q22, Q25, Q26, Q28, Q29, Q30, Q31, Q33, Q37, Q38, Q39, Q40 Gewicht: 19/41 ≈ 46% van de vragen; samen met meerkeuze-invulvraag (10) = 29/41 ≈ 71% van de vragen en ≈62% van de scorepunten (29 van 47) — bevestigt de notitie “~60% van de scorepunten”. Waar: opgave/vraagstelling; antwoordblad (kolom “Meerkeuzevragen”); correctievoorschrift (telkens simpelweg de letter).

  • Bijzonderheid — weerspreekt de notitie: de notitie stelt “vier antwoordopties (A t/m D)”, maar dit tijdvak heeft ook: Q29 met slechts 3 opties (A-C), en Q38, Q39, Q40 met 5 opties (A-E). Bevestigd op zowel opgave als antwoordblad (antwoordblad: “29 A B C” resp. “38/39/40 A B C D E”). Aanpassing van de notitie is hier op zijn plaats.
  • Correctievoorschrift algemene regel 4: “Het juiste antwoord op een meerkeuzevraag is de hoofdletter die behoort bij de juiste keuzemogelijkheid… Indien meer dan één antwoord gegeven is, worden eveneens geen scorepunten toegekend.” — standaardregel, hier expliciet herhaald.

Vraagtype meerkeuze-invulvraag

Aantal: 10 vragen — Q2, Q4, Q6, Q11, Q15, Q17, Q18, Q23, Q32, Q35 Gewicht: 10/41 ≈ 24%. Waar: opgave (vraagstelling) + bijlage (het gat zit in de lopende tekst zelf, niet in de vraag); antwoordblad kolom “Meerkeuzevragen” (dus wél als MC behandeld, niet als open vraag).

  • Alle 10 delen de vraagformulering “Which of the following fits the gap in paragraph X?” — bevestigt de notitie exact.
  • Slechts 1 van de 10 (Q23) heeft daadwerkelijk signaalwoorden/connectoren als opties; de overige 9 hebben inhoudelijke woorden/woordgroepen als opties (zie uitsplitsing per onderliggend concept hierboven bij Betekenis van woorden, Impliciete informatie, Hoofdgedachte, Standpunt).
  • Scoring: gewone 1-punts MC-scoring, geen bijzonderheden t.o.v. klassieke meerkeuzevraag.

Vraagtype beweringenvraag

Aantal: 2 vragen — Q24, Q36 Gewicht: 2/41 ≈ 5%, samen 4 van de 47 punten (2p elk). Waar: opgave/vraagstelling (“Komen de volgende beweringen overeen met…”); antwoordblad (kolom “Open vragen”, genummerde sublijst 1-4); correctievoorschrift.

  • Q24 — “Noteer ‘wel’ of ‘niet’ achter elk nummer.” Scoring: 4 goed=2p, 3 goed=1p, ≤2 goed=0p (drempel-scoring, geen lineaire per-bewering-punten).
  • Q36 — zelfde opzet en scoringsdrempel (4→2, 3→1, ≤2→0).
  • CV-opmerking bij beide: “Scorepunt(en) ook toekennen als duidelijk de juiste antwoorden zijn gegeven anders dan middels ‘wel’ of ‘niet’” — bevestigt “inhoud boven notatiewijze” uit de Correctieregels-notitie.

Vraagtype combineervraag

Aantal: 3 vragen — Q5, Q10, Q41 Gewicht: 3/41 ≈ 7%, samen 7 van de 47 punten (2p, 2p, 3p). Waar: opgave/vraagstelling; antwoordblad (kolom “Open vragen”); correctievoorschrift.

  • Q5 (2p) — 2 gaten, 7 opties, “er blijven vijf woordgroepen over”. Scoring: niet drempel-gebaseerd — gewoon 1 punt per juist deelantwoord (5-1 en 5-2 apart), i.p.v. de drempelcurves die Q10/Q41 gebruiken. Vermeldenswaardig contrast voor de notitie: niet elke meerpuntsvraag werkt met een drempel.
  • Q10 (2p) — 3 namen, 7 kwalificatie-opties, “er blijven vier kwalificaties over”. Drempel: 3 goed=2p, 2 goed=1p, ≤1 goed=0p.
  • Q41 (3p) — 6 alinea’s, 10 tussenkop-opties, “er blijven vier tussenkoppen over”. Drempel: 6 goed=3p, 5 goed=2p, 4 goed=1p, ≤3 goed=0p. Bijzondere instructie vooraf: “Lees eerst de opgave voordat je naar de tekst gaat” (staat zowel bij de opgave als in de bijlage boven Tekst 13) — een leesstrategie-aanwijzing die specifiek bij dit vraagtype hoort.

Vraagtype ordeningsvraag

Aantal: 1 vraag — Q27 Gewicht: 1/41 ≈ 2%. Waar: opgave/vraagstelling (“Wat is de juiste volgorde?”); bijlage (de drie tekstfragmenten a/b/c staan afgedrukt in de opgave, ontbrekende alinea 9 van Tekst 7); antwoordblad (kolom “Open vragen”); correctievoorschrift (maximumscore 1, antwoord: c-a-b, geen deelscore vermeld — dus vermoedelijk alles-of-niets ondanks 3 elementen).

  • Enige ordeningsvraag dit tijdvak; volledig juiste volgorde vereist voor het scorepunt (geen partial credit in het beoordelingsmodel).

Vraagtype citeervraag

Aantal: 4 vragen — Q9, Q14, Q19, Q34 Gewicht: 4/41 ≈ 10%. Waar: opgave/vraagstelling; bijlage (het te citeren zinsdeel staat in de tekst); antwoordblad (kolom “Open vragen”); correctievoorschrift.

  • Hele-zin-subtype (3×): Q9, Q14, Q34 — telkens “Citeer de eerste twee woorden van deze zin.” CV-opmerking bij alle drie identiek: “Scorepunt ook toekennen als de juiste zin (deels) verder is overgenomen” — bevestigt dat meer overschrijven dan gevraagd bij dít subtype geen probleem is.
  • Precies-afgebakend subtype (1×): Q19 — “Citeer dit werkwoord.” CV-opmerking is hier tegenovergesteld: “Geen scorepunt toekennen als er meer is geciteerd dan hierboven staat of minder dan het deel dat niet tussen haakjes staat” — bij dit subtype is te veel citeren juist fout. Belangrijk contrast tussen de twee subtypes, precies zoals de notitie beschrijft, en dit tijdvak levert een schoolvoorbeeld van beide.
  • Vakspecifieke regel 2 (CV): “Citeervragen dienen altijd beantwoord te worden in de vreemde taal. Indien een vertaling of parafrase gegeven wordt, worden aan het antwoord 0 scorepunten toegekend.” — algemeen van toepassing op alle 4.

Vraagtype kort antwoord

Aantal: 0 vragen dit tijdvak. Gewicht: 0/41. Waar: n.v.t.

  • Geen enkele vraag vraagt om een kaal alineanummer/naam uit een lijst als enig antwoord (het dichtstbijzijnde, Q10, is een combineervraag met meerdere koppelingen en een aparte antwoordblad-structuur, geen kort-antwoordvraag). Vermeldenswaardige nul-score voor dit tijdvak.

Vraagtype open vraag in eigen woorden

Aantal: 2 vragen — Q7, Q21 Gewicht: 2/41 ≈ 5%. Waar: opgave/vraagstelling (“Geef antwoord in het Nederlands”); antwoordblad (kolom “Open vragen”); correctievoorschrift.

  • Q7 — “Wat suggereert de schrijver over wat Tom Cruise heeft laten doen met deze opmerking? Geef antwoord in het Nederlands.” CV-valkuil: een voor de hand liggend maar te vaag antwoord (“Hij is oud”) levert expliciet 0 punten op — alleen de specifieke strekking (facelift/plastische chirurgie) telt.
  • Q21 — “Welk punt over het relativisme maakt de schrijver in alinea 2 met deze opmerking? Geef antwoord in het Nederlands.”
  • Beide volgen vakspecifieke regel 1 (NL-antwoord verplicht) en de algemene instructie op p.1 van de opgave: “Let op: beantwoord een open vraag altijd in het Nederlands, behalve als het anders is aangegeven. Als je in het Engels antwoordt, levert dat 0 punten op.”

Correctieregels en scoring MVT

Aantal: cross-cutting concept; onderstaande regels komen dit tijdvak concreet terug bij specifieke vragen, plus algemene regels in het correctievoorschrift zelf. Waar: correctievoorschrift (rubriek 2 “Algemene regels” en rubriek 3 “Vakspecifieke regels”) + opgave/vraagstelling (instructiepagina vóór vraag 1).

  • Opgave-instructie (p.1, herhaalt regel 3.4/3.5 in gewone taal): “Geef niet meer antwoorden (zinnen, redenen, voorbeelden e.d.) dan er worden gevraagd. Als er bijvoorbeeld één zin wordt gevraagd en je antwoordt met meer dan één zin, dan wordt alleen de eerste zin in de beoordeling meegeteld.” — dit is regel 3.4/3.5 al vóór het correctievoorschrift, in de opgave zelf.
  • Opgave-instructie (p.2, vakspecifieke regel 1): “Let op: beantwoord een open vraag altijd in het Nederlands, behalve als het anders is aangegeven. Als je in het Engels antwoordt, levert dat 0 punten op.”
  • Regel 3.8 (nieuw t.o.v. de notitie — deze stopt nu bij 3.7): “indien in het beoordelingsmodel een gedeelte van het antwoord tussen haakjes staat, behoeft dit gedeelte niet in het antwoord van de kandidaat voor te komen” — dit is precies wat Q19’s antwoord “(to) green-light” mogelijk maakt (het “to” is optioneel).
  • Regel 3.9 (ook nieuw t.o.v. de notitie): “indien een kandidaat op grond van een algemeen geldende woordbetekenis, zoals bijvoorbeeld vermeld in een woordenboek, een antwoord geeft dat vakinhoudelijk onjuist is, worden aan dat antwoord geen scorepunten toegekend” — dit is de ontbrekende schakel tussen scoring en woordenboekgebruik, zie ook hieronder bij die notitie.
  • Drempel- vs. niet-drempelscoring bij meerpuntsvragen: Q10 (3→2, 2→1, ≤1→0), Q24/Q36 (4→2, 3→1, ≤2→0), Q41 (6→3, 5→2, 4→1, ≤3→0) gebruiken drempels; Q5 juist niet (gewoon 1 punt per correct deelantwoord, 5-1 en 5-2 los beoordeeld). Studenten nemen vaak ten onrechte aan dat elke meerpuntsvraag drempels gebruikt — waardevolle nuance voor de notitie.
  • Regel 3.3 (analogie-beoordeling) is dit tijdvak niet met een expliciete opmerking in het beoordelingsmodel geïllustreerd, maar blijft de basisregel achter alle “strekking”-antwoorden bij Q7 en Q21.

Woordenboekgebruik in het examen

Aantal: 0 directe vraag-hits, 1 hit in het correctievoorschrift (algemene regel 3.9). Gewicht: geen vraag test dit expliciet, maar de scoringsregel is relevant voor alle open/citeervragen. Waar: correctievoorschrift, rubriek 2 “Algemene regels”, regel 3.9.

  • Regel 3.9: “indien een kandidaat op grond van een algemeen geldende woordbetekenis, zoals bijvoorbeeld vermeld in een woordenboek, een antwoord geeft dat vakinhoudelijk onjuist is, worden aan dat antwoord geen scorepunten toegekend, of tenminste niet de scorepunten die met de vakinhoudelijke onjuistheid gemoeid zijn.” Dit koppelt direct aan de notitie’s kernpunt dat het examen weliswaar woordenboekgebruik toestaat, maar een woordenboekbetekenis die niet past bij de specifieke tekstcontext geen scorepunt oplevert — relevant achtergrond bij Q7 en Q19 (beide leunen op figuurlijke/contextuele betekenis, niet de letterlijke woordenboekbetekenis).