Digest — CE 2025 tijdvak I, Nederlands VWO

Bron: Examenbundel_Compleet_VWO_Nederlands.pdf, pagina’s 7 t/m 49 (opgaven VW-1001-a-25-1-o, bijlage VW-1001-a-25-1-b, correctievoorschrift VW-1001-a-25-1-c + aanvulling VW-1001-a-25-1-c-A1). Examen: 37 vragen, max. 69 scorepunten, 3 delen.

  • Deel 1 — “Onderzoek naar de waarde van boosheid”: bron 1-4 (vragen 1-18)
  • Deel 2 — “Taal is een brug in het denken”: tekst 1 + tekstfragment 1 (vragen 19-26)
  • Deel 3 — “We leven achter een hek. En de rest vindt dat best”: tekst 2 + tekstfragment 2 + afbeelding 1 (vragen 27-37)

Geen onleesbare pagina’s; pdftotext-output was voor dit bereik volledig bruikbaar, geen Read-met-pages-fallback nodig.


Vraagtype — bronnenvergelijking

Frequentie: zeer hoog — 12 van de 37 vragen, ~23 punten. Dominant vraagtype dit tijdvak.

  • Q9 (1p): bron 1 vs bron 2 — gemeenschappelijke reden. “In bron 1 en bron 2 wordt een vrijwel identieke reden gegeven… Vat deze reden samen.” (max 15 woorden)
  • Q10 (3p): bron 1 vs bron 2 — verschil in onderscheid narcistisch/activistisch. Invulschema 1a/1b/2a/2b (wel/niet + oorzaak).
  • Q11 (2p): bron 1 vs bron 2 — betrouwbaarheidsvergelijking (overlapt met Aanvaardbaarheid/Bruikbaarheid-betrouwbaarheid).
  • Q14 (2p): bron 2 vs bron 3 — vuur-metafoor, tegengestelde eigenschappen (overlapt met Stijl en framing).
  • Q15 (2p): bron 2 vs bron 3 — antwoord op deelvraag 2, invulschema 1a/1b/2a/2b.
  • Q17 (2p): bron 4 (Callard) vs bron 1/2/3 — wel/niet-tabel over 4 uitspraken.
  • Q18 (2p): synthese/genuanceerd antwoord over bron 1 t/m 4 samen (overlapt met sorteer/synthese).
  • Q25 (2p, geamendeerd): tekst 1 vs tekstfragment 1 — verschil in taal/werkelijkheid-opvatting.
  • Q26 (2p): tekst 1 vs tekstfragment 1 — toepassen van concept “constructionisme” uit fragment op tekst 1.
  • Q29 (2p, secundair): “eerdere schrijvers” vs Wengrow/Graeber binnen tekst 2 (grensgeval, zie Relaties tussen tekstdelen).
  • Q35 (1p): tekst 2 vs tekstfragment 2 — overeenkomst (max 10 woorden).
  • Q36 (2p): tekst 2 vs tekstfragment 2 — verschil, “benoem beide kanten” (max 30 woorden).

Typerende frasering: “Vat deze reden samen [gemeenschappelijk aan bron X en Y]”, “Typeer dit verschil tussen bron X en Y”, “Leg het verschil hierin tussen tekst X en tekstfragment Y uit”, “Geef per uitspraak aan of deze wel of niet waar is, gelet op deze bronnen”, vaak in combinatie met invulschema’s (1a/1b/2a/2b, wel/niet) of woordlimieten. Elk deel van het examen (1, 2, én 3) eindigt met een bronnenvergelijking tussen de hoofdtekst(en) en een los “tekstfragment”.


Vraagtype — samenvatten in eigen woorden

Frequentie: zeer hoog — 13 van de 37 vragen, ~26 punten. Samen met bronnenvergelijking het zwaarst wegende vraagtype.

  • Q2 (2p): “Vat de argumentatie van Cherry in alinea 3 samen” — invulzin, 1 woord per element.
  • Q3 (2p): “Noem drie algemene negatieve kenmerken van boosheid.”
  • Q6 (3p): “Vat uit alinea 5 tot en met 7 drie van deze negatieve gevolgen samen.” (max 50 woorden)
  • Q9 (1p): max 15 woorden.
  • Q15 (2p): per bron samenvatten, invulschema.
  • Q19 (2p): “Geef per theorie de kern ervan weer” — tabel.
  • Q20 (2p): max 30 woorden.
  • Q21 (2p): max 30 woorden.
  • Q28 (2p, geamendeerd): max 20 woorden.
  • Q31 (2p): “Vat … samen” via invulzin (secundair, overlapt Standpunten en argumenten).
  • Q33 (3p): “Leid uit de tekst drie van deze adviezen af” — grensgeval tussen samenvatten en afleiden/interpreteren.
  • Q35 (1p): max 10 woorden.
  • Q36 (2p): max 30 woorden.

Typerende frasering: vrijwel altijd “Vat … samen” of “Geef … de kern weer”, zeer consequent gecombineerd met een expliciete woordlimiet (“Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan N woorden”) — dit koppelt het vraagtype structureel aan de Aftrekregeling.


Aftrekregeling bij open vragen

Frequentie: zeer hoog, van toepassing op vrijwel elke open vraag. In het correctievoorschrift staat de aanwijzing “Beoordeel de spelling” of “Beoordeel de spelling en grammatica” 19 keer expliciet genoteerd, bij de vragen 2, 3, 6, 9, 10, 11, 14, 15, 16, 19, 20, 21, 25, 28, 29, 31, 33, 35, 36.

  • Concreet onderscheid zichtbaar in de correctie: bij invulzinnen met kort antwoord (bv. Q2, Q3, Q10, Q15, Q16) staat alleen “Beoordeel de spelling”; bij vragen die volledige zinnen vereisen (bv. Q6, Q9, Q11, Q14, Q20, Q21, Q25, Q28, Q29, Q33, Q35, Q36) staat “Beoordeel de spelling en grammatica” — exacte illustratie van vakspecifieke regel 1a/1b uit het correctievoorschrift.
  • Belangrijke uitzondering, goed voorbeeld voor de conceptnotitie: Q13 (citeeropdracht — “Citeer uit alinea 2 twee afzonderlijke zinnen of zinsgedeelten…”) heeft géén “Beoordeel de spelling”-notitie: citaten zijn expliciet vrijgesteld van taalbeoordeling (vakspecifieke regel 2a).
  • Vakspecifieke regels vermelden dit tijdvak ook expliciet: maximaal 4 aftrekpunten in totaal over het hele examen (niet per vraag), volgens de tabel 0/1/3/5/7-fouten-staffel.

Hoofdgedachte van een tekst bepalen

Frequentie: middel — 4-5 vragen, ~9 punten.

  • Q8 (2p, MC): “Welke uitspraak geeft de hoofdgedachte van bron 1 het best weer?”
  • Q34 (2p, MC): “Welke uitspraak geeft de hoofdgedachte van de tekst het best weer?” (tekst 2)
  • Q7 (1p, MC, secundair): “strekking van deze slotzin” — interpretatie van een figuurlijke/ironische slotzin, grensgeval met Conclusies trekken.
  • Q28 (2p, secundair): “gelet op de strekking van alinea 1 tot en met 4.”
  • Q16 (2p, secundair): relateert aan de hoofdvraag van het onderzoek (“In hoeverre is boosheid een goede emotie?”).

Belangrijk gewichtsfeit uit het correctievoorschrift zelf: de algemene regel bovenaan het beoordelingsmodel stelt expliciet: “Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag die betrekking heeft op de hoofdgedachte van de tekst worden 2 scorepunten toegekend” (i.p.v. de standaard 1 scorepunt voor overige MC-vragen). Hoofdgedachte-MC’s wegen dus structureel dubbel zo zwaar als andere MC-vragen.


Relaties tussen tekstdelen aangeven

Frequentie: middel — 4 vragen, ~5 punten.

  • Q22 (1p, MC): “In welke alinea wordt impliciet voor het eerst op deze verbindende functie van taal gewezen?” — vereist identificatie van een impliciete relatie tussen tekstdelen.
  • Q30 (1p, MC): “Welke bewering geeft de functie van alinea 8 en 9 samen het best weer?” — directe “functie van alinea”-vraag.
  • Q29 (2p, secundair): contrast tussen “eerdere schrijvers” en Wengrow/Graeber, binnen tekst 2.
  • Q37 (1p, secundair): matching van afbeelding 1 aan een specifiek tekstdeel van tekst 2 (overlapt met Vraagtype — scenario-opgave).

Standpunten en argumenten herkennen

Frequentie: middel — 4 vragen, ~7 punten.

  • Q1 (1p, MC): “Wat zegt Cherry over het nut van boosheid, gelet op alinea 3?” — herkennen van argumentinhoud.
  • Q2 (2p): “Vat de argumentatie van Cherry in alinea 3 samen” (overlapt sterk met samenvatten).
  • Q29 (2p, secundair): tegengestelde perspectieven/standpunten binnen tekst 2.
  • Q31 (2p): “Om welke twee redenen is dit tegenverhaal noodzakelijk” — redenen = argumenten.

Aanvaardbaarheid van een betoog beoordelen

Frequentie: middel — 3 vragen, ~7 punten. Functioneert dit tijdvak vooral als onderliggend criteria-kader voor Vraagtype — bruikbaarheid en betrouwbaarheid beoordelen.

  • Q11 (2p): “Geef hiervoor twee algemene redenen [waarom bron 1 betrouwbaarder is dan bron 2].” Correctiemodel-antwoorden volgen letterlijk de betrouwbaarheidscriteria uit de conceptnotitie: bronnen/deskundigen aanhalen, auteur is wetenschapper/filosoof (deskundigheid), genuanceerd i.p.v. eenzijdig (consistentie/objectiviteit).
  • Q23 (3p, geamendeerd): 7 uitspraken over de auteur, 4 tonen “algemene betrouwbaarheid.”
  • Q24 (2p): 6 uitspraken over de tekst, 2 tonen “algemene betrouwbaarheid.”

Vraagtype — bruikbaarheid en betrouwbaarheid beoordelen

Frequentie: middel — 4 vragen, ~9 punten.

  • Q11 (2p), Q23 (3p, geamendeerd), Q24 (2p) — zie hierboven (overlap met Aanvaardbaarheid van een betoog beoordelen).
  • Q13 (2p, geamendeerd): “Dit onderzoek heeft een brede wetenschappelijke waarde… Citeer… waaruit dit blijkt” — betrouwbaarheid/bruikbaarheid getoetst via citeeropdracht i.p.v. open vraag.

Afwijking t.o.v. de conceptnotitie: dit tijdvak wordt het vraagtype niet ingekleed met een los, expliciet scenario (“voor een profielwerkstuk over…”) zoals de conceptnotitie als typisch voorbeeld noemt. In plaats daarvan wordt betrouwbaarheid getoetst via meerkeuze-uitsprakenlijsten (Q23, Q24: “Uit welke … uitspraken blijkt duidelijk/het meest de algemene betrouwbaarheid…”) en is de bredere scenario-inkadering (het schrijven van een beschouwing) al aan het begin van Deel 1 gezet, niet herhaald per vraag.


Vraagtype — sorteer- en synthesetaak

Frequentie: middel — 6 vragen, ~12 punten.

  • Q4 (2p): situaties indelen als narcistisch/activistisch — klassieke categorisatie.
  • Q5 (2p): adviezen matchen aan activistische boosheid.
  • Q17 (2p): wel/niet-tabel over 4 uitspraken t.o.v. 4 bronnen — letterlijk het “wel/niet van toepassing op een tekst”-format uit de conceptnotitie.
  • Q18 (2p): genuanceerd antwoord/synthese over bron 1 t/m 4 samen.
  • Q32 (2p): “Orden de typeringen, waarbij je begint met… en eindigt met…” — expliciete volgorde-opdracht, inclusief een gedeeltelijke-scoreregel bij bijna-juiste reeksen.
  • Q20/Q21 (secundair): vergelijkend categoriseren van overeenkomsten/verschillen mens-dier.

Conclusies trekken over intenties en opvattingen van de auteur

Frequentie: middel — 4 vragen, ~7 punten.

  • Q7 (1p, MC): interpretatie van de figuurlijke/ironische slotzin (“kwaad worden op alle dode vlinders”).
  • Q12 (1p, MC): “Welke typering doet het meest recht aan boosheid volgens bron 3?” — opvatting van de auteur.
  • Q16 (2p): “Welk antwoord zal Callard op de hoofdvraag geven” — opvatting van de auteur afleiden.
  • Q33 (3p, secundair): impliciete adviezen afleiden uit de hele tekst.

Vraagtype — stijl en framing herkennen

Frequentie: laag — 2 vragen, ~3 punten. Relatief beperkt aanwezig dit tijdvak.

  • Q14 (2p): vuur-metafoor in bron 2 en bron 3, “twee tegengestelde eigenschappen… benadrukt door een vergelijking met vuur” — figuurlijk taalgebruik.
  • Q27 (1p, MC): “Welke manier is in alinea 1 en 2 van tekst 2 vooral gebruikt [om de aandacht te trekken]?” — retorische openingstechniek (opties als “een schokkend gegeven presenteren”, “een persoonlijke ervaring meedelen”).

Vraagtype — scenario-opgave

Frequentie: laag in aantal, maar structureel zeer bepalend.

  • De volledige inleiding van Deel 1 (“Stel, je bereidt je bij het vak Nederlands voor op het schoolexamen schrijfvaardigheid, waarin je op basis van bronnen een beschouwing zult schrijven over een emotie: boosheid…”) is een omvangrijke situatieschets die vragen 1 t/m 18 (34 van de 69 punten) omkadert. De opeenvolgende vragen worden gemotiveerd als stappen in dit fictieve onderzoeksproces (“je selecteert twee extra bronnen…”, “je stelt drie deelvragen op…”).
  • Q37 (1p, MC): losse, kleinere scenario-opgave — “Stel, een vormgever overweegt afbeelding 1 als illustratie te gebruiken bij tekst 2. Waarbij kan afbeelding 1 vooral als illustratie worden gebruikt?”

Afwijking t.o.v. de conceptnotitie: het voorbeeld in de conceptnotitie (een debat/discussie tussen twee sprekers) komt dit tijdvak niet voor. Het scenario is hier een onderzoeks-/schrijfopdracht-context (Deel 1) resp. een vormgevingsopdracht (Q37), geen debatsituatie. Nuttig om de conceptnotitie iets breder te formuleren dan alleen “debat”.


Niet aangetroffen dit tijdvak

  • Argumentatieschema’s herkennen — geen enkele vraag vraagt expliciet naar een van de zes schema’s (oorzaak-gevolg, kenmerk, voor-nadelen, voorbeelden, vergelijking, autoriteit). Geen treffers voor “argumentatieschema” of “schema” in de volledige opgaven- en correctietekst.
  • Drogredenen herkennen — geen treffers voor “drogreden”; geen vraag vraagt naar een foutieve argumentatie of discussieregel-overtreding.
  • Tekstsoort bepalen / Schrijfdoel van een tekst vaststellen — geen vraag classificeert een tekst(deel) expliciet als uiteenzettend/beschouwend/betogend of vraagt naar het schrijfdoel. Wel relevant als achtergrond: Deel 1 is ingebed in de context van het zelf schrijven van een “beschouwing” (schoolexamen schrijfvaardigheid), maar dit wordt niet als leesvaardigheid-vraag getoetst.
  • Toegestane hulpmiddelen bij het examen — geen treffer in het geëxtraheerde bereik (pagina 7 t/m 49); dit soort informatie staat vermoedelijk op het voorblad vóór pagina 7, buiten het opgegeven paginabereik. Geen inhoudelijke aanwijzing dat dit tijdvak afwijkt van de standaardregel (eendelig verklarend woordenboek Nederlands).

Algemene observatie: structuur van het examen

Elk van de drie delen volgt hetzelfde patroon: een hoofdtekst/hoofdbronnen worden eerst individueel bevraagd (inhoud, betrouwbaarheid, hoofdgedachte), waarna een kort “tekstfragment” of extra bron wordt geïntroduceerd specifiek om een bronnenvergelijkingsvraag mee af te sluiten. Bronnenvergelijking en samenvatten in eigen woorden zijn samen goed voor ruim een derde van het totale aantal vragen en punten — dit zijn de twee vraagtypen om het zwaarst op te oefenen voor een volgend tijdvak in dezelfde stijl.