Digest — CE 2026 vwo Nederlands, tijdvak 2

Bronnen: CE-2026-vwo-Nederlands-tijdvak2-opgaven.pdf (39 vragen, 65 punten), -bijlage.pdf (8 teksten in 3 delen: Straattaal / Gedachten op de crosstrainer / Het verschijnsel haat), -correctievoorschrift.pdf, -correctievoorschrift-aanvulling.pdf (2 verduidelijkingen, geen inhoudelijke fout).

Alle vier bestanden volledig gelezen met pdftotext, geen onleesbare pagina’s — geen beeldweergave nodig geweest.

Structuur per concept: vraagnummer(s), locatie, frequentie, frasering/vraagformulering, gewicht.


Hoofdgedachte van een tekst bepalen

  • Vraag 4 (2p, MC) — vraagstelling + correctievoorschrift. “De woordgroep ‘grijs gebied’ in de titel van tekst 1 is beeldspraak. Welke interpretatie van deze beeldspraak doet het meest recht aan de hoofdgedachte van tekst 1?” Expliciete term “hoofdgedachte” in de vraagstelling zelf — schoolvoorbeeld van dit concept, gecombineerd met beeldspraak-interpretatie (zie ook Vraagtype — stijl en framing herkennen).
  • Vraag 25 (1p, MC) — vraagstelling. “Met welke typering kunnen deze ‘bepaalde omstandigheden’ het best worden samengevat, gelet op alinea 1 en 2?” — impliciete hoofdgedachte van een tekstgedeelte, geen letterlijk citaat als antwoord maar een samenvattende typering.
  • Vraag 1 (secundair, zie ook Vraagtype — sorteer- en synthesetaak) — een conclusie afleiden uit onderzoeksbevindingen in alinea 1-3, grenst aan hoofdgedachte-van-een-tekstgedeelte maar is primair een synthesetaak.
  • Frequentie: 2 duidelijke hits (vraag 4, 25), 1 randgeval (vraag 1).
  • Gewicht: licht (2p + 1p = 3p directe hits), maar functioneel gebruikt als opstap naar zwaardere interpretatievragen (4 en 25 zijn allebei MC met interpretatie-opties, dus fout kiezen kost het hele scorepunt).

Relaties tussen tekstdelen aangeven

  • Vraag 2 (2p, open, max 25 woorden) — vraagstelling: “Uit alinea 3 tot en met 5 kun je twee algemene oorzaken afleiden van het onjuist gebruik van lidwoorden…” — oorzaak-gevolgrelatie, impliciet (geen signaalwoorden geciteerd, moet afgeleid worden).
  • Vraag 26 (2p) — “Hieronder staan zeven mogelijke oorzaken van haat. Welke drie oorzaken worden genoemd in tekst 4?” — zelfde relatietype (oorzaak-gevolg), nu als selectietaak uit een lijst.
  • Let op: het klassieke format uit de conceptnotitie (“Welke relatie bestaat er tussen alinea X en alinea Y?” / “Wat is de functie van alinea X in de tekst?”) komt dit tijdvak niet expliciet voor. De relatie wordt altijd impliciet getoetst via een inhoudsvraag (oorzaken noemen/selecteren), nooit als aparte “benoem de relatie”-vraag.
  • Frequentie: 2 hits, beide impliciet via oorzaak-gevolg.
  • Gewicht: licht-matig (4p samen), functioneel ondersteunend aan Argumentatieschema’s/Aftrekregeling.

Schrijfdoel van een tekst vaststellen

  • Geen directe hits dit tijdvak. Geen vraag vraagt expliciet naar het schrijfdoel (informeren/ter overweging aanbieden/overtuigen) van een tekst(deel).
  • Wel impliciet aanwezig als achtergrond bij Tekstsoort bepalen (vraag 24, 39 — “beschouwing” als genre) en bij de intro van Deel 1 (“Je vergelijkt nu de beschrijving van de kenmerken van straattaal in tekst 1 en tekst 2” veronderstelt kennis van het verschil tussen de uiteenzettende toon van tekst 1 en het interview-/betoogkarakter van tekst 2), maar zonder dat dit expliciet bevraagd wordt.
  • Gewicht: verwaarloosbaar dit tijdvak — niet actief nodig als losse vaardigheid, enkel als achtergrondkennis.

Standpunten en argumenten herkennen

  • Vraag 6 (2p) — vraagstelling: “De ondertitel van tekst 2 luidt: ‘Een pleidooi voor lossere regels’. Hieronder staan vijf mogelijke argumenten bij dit pleidooi. Noteer de nummers van de twee argumenten die in tekst 2 dit pleidooi ondersteunen.” — standpunt (pleidooi) + argumenten selecteren uit vijf opties.
  • Vraag 17 (2p) — “Wat kunstenaars of schrijvers daaraan nog toe te voegen hebben… doet er eigenlijk nauwelijks meer toe.” (standpunt) + “Met welke twee argumenten wordt dit standpunt onderbouwd in alinea 4?” — vijf mogelijke argumenten, kies twee juiste.
  • Vraag 30 (2p) — “Gelet op tekst 6 heeft Lerner een andere reden om poëzie te haten dan niet-dichters. Waarom haat Lerner poëzie, en waarom lijken niet-dichters poëzie te haten?” — redenen/argumenten van twee verschillende partijen binnen dezelfde tekst.
  • Frequentie: 3 hits, telkens met vaste “kies N van 5”-structuur (vraag 6, 17) of contrasterende redenen (vraag 30).
  • Gewicht: matig-zwaar (6p samen), en functioneel de basis voor Vraagtype — bronnenvergelijking en Vraagtype — scenario-opgave.

Argumentatieschema’s herkennen

  • Geen expliciete hits. Geen enkele vraag dit tijdvak vraagt letterlijk “welk argumentatieschema wordt hier gebruikt?” met een lijst van schema’s om uit te kiezen — het format dat de conceptnotitie als “sinds 2024” typeert, komt in dit specifieke tijdvak niet voor.
  • Impliciet wel aanwezig: vraag 2 en 26 (oorzaak-gevolgschema, zonder dat het schema benoemd wordt), vraag 32/33 (vergelijkingsschema tussen tekst 4 en 6, impliciet).
  • Gewicht: licht dit tijdvak — een leerling die alléén op het expliciete “noem het schema”-format oefent, zou hier weinig herkennen; de schema’s worden dit tijdvak alleen impliciet/inhoudelijk gebruikt, niet als metacognitieve vraag.

Drogredenen herkennen

  • Geen hits dit tijdvak. Geen enkele vraag (MC of open) vraagt naar het identificeren van een drogreden.
  • Gewicht: nul dit tijdvak — opvallend, aangezien Deel 3 (haat, met veel bevooroordeeld/vertekend denken als onderwerp: “confirmation bias”, “wij-tegen-zij-principe”) hier inhoudelijk voor in aanmerking zou komen, maar het examen kiest ervoor dit niet als aparte drogreden-vraag te bevragen.

Vraagtype — bronnenvergelijking

  • Vraag 8 (2p) — vraagstelling + intro “Je vergelijkt nu de beschrijving van de kenmerken van straattaal in tekst 1 en tekst 2.” Constatering uit tekst 2 bekritiseren op basis van tekst 1.
  • Vraag 9 (4p, grootste post per vraag in Deel 1) — tabel: 6 uitspraken, per uitspraak aangeven of die aansluit bij tekst 1, tekst 2, allebei of geen van beide.
  • Vraag 10, 11 (1p, 2p) — betrouwbaarheid/bruikbaarheid tekst 1 vs. tekst 2 vergelijken (zie ook Vraagtype — bruikbaarheid en betrouwbaarheid beoordelen).
  • Vraag 28 (2p) — “Uit tekst 4 en tekst 5 zijn duidelijk verschillende antwoorden af te leiden op de vraag waarop haat zich in zijn algemeenheid richt.” Zinnen aanvullen, contrast tekst 4/5.
  • Vraag 29 (2p) — zelfde structuur, contrast tekst 4/5 over ontwikkeling van haat door de tijd.
  • Vraag 32 (1p, MC) — overeenkomst tussen tekst 4 en tekst 6 (“wij-tegen-zij-principe”).
  • Vraag 33 (1p, MC) — verschil tussen tekst 4 en tekst 6 in hoe haat ontstaat.
  • Vraag 34 (1p, MC) — “Tekst 7 bespreekt een oorzaak van haat die al werd genoemd in een van de eerdere teksten.”
  • Vraag 35, 36 (1p, 1p) — citeeropdrachten waarbij tekst 8 gekoppeld wordt aan tekst 5 resp. vergeleken met “geen van de vier eerdere teksten”.
  • Vraag 37 (1p, MC) — “Liefde als oorsprong van haat kwam al naar voren in een eerdere tekst. In welke tekst is dat?” (4 opties, alle vijf teksten van Deel 3 relevant).
  • Vraag 38, 39 (1p, 1p) — scenario-opgaven waarbij tussen alle 5 teksten van Deel 3 geselecteerd moet worden (zie ook Vraagtype — scenario-opgave en bruikbaarheid/betrouwbaarheid).
  • Frequentie: dit is verreweg het meest voorkomende nieuwe vraagtype dit tijdvak — 14 van de 39 vragen raken dit concept (8, 9, 10, 11, 28, 29, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39), verspreid over alle drie de delen van het examen (Deel 1: tekst 1↔2; Deel 3: tekst 4↔5↔6↔7↔8, waarbij Deel 3 structureel is opgebouwd rond vergelijking van vijf teksten over hetzelfde onderwerp).
  • Typische frasering die letterlijk terugkomt: “Uit tekst X en tekst Y zijn duidelijk verschillende antwoorden af te leiden…” / “lijken te verschillen in hun visie op…” / “…die al werd genoemd in een van de eerdere teksten” / tabelvorm met “tekst 1 / tekst 2 / allebei / geen van beide”.
  • Gewicht: zwaar — ruim 20 van de 65 scorepunten zijn direct aan bronnenvergelijking te koppelen. Dit is het dominante vraagtype van tijdvak 2.

Vraagtype — bruikbaarheid en betrouwbaarheid beoordelen

  • Vraag 10 (1p) — “Stel, je werkt aan een werkstuk over algemene kenmerken van straattaal en bepaalt daarvoor de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van tekst 1 en 2. Je stelt vast dat tekst 1 een betrouwbare bron is… Je twijfelt echter aan de inhoudelijke relevantie.” Scenario + betrouwbaarheid/bruikbaarheid apart getoetst, exact zoals de conceptnotitie beschrijft.
  • Vraag 11 (2p) — vervolgvraag: “wetenschappelijke bronnen van taalkundigen” als criterium, tekst 1 vs. 2 beoordelen.
  • Vraag 24 (2p) — drie leerlingen (Dora, Joram, Khalid), elk met eigen onderzoeksvraag; per leerling aangeven of tekst 3 “niet bruikbaar” is of bruikbaar “voor inhoudelijke argumentatie” of “voor een pakkend voorbeeld” — vernieuwende drieledige categorisering van bruikbaarheid (niet alleen ja/nee, maar type bruikbaarheid).
  • Vraag 38 (1p) — “Stel, je overweegt een werkstuk te schrijven over haat in de moderne samenleving en wilt daarvoor uitsluitend objectieve informatiebronnen gebruiken.” Betrouwbaarheidscriterium “objectiviteit” toegepast op 5 teksten.
  • Vraag 39 (1p) — “Stel, je zoekt voor een literatuuropdracht… een kort literair verhaal over haat.” Geschiktheid/bruikbaarheid voor een specifiek doel (i.p.v. betrouwbaarheid).
  • Frequentie: 5 hits (10, 11, 24, 38, 39), in alle drie de delen van het examen.
  • Typische frasering: vrijwel woordelijk gelijk aan het “Stel, je werkt aan een werkstuk…” patroon uit de conceptnotitie.
  • Gewicht: matig-zwaar (7p direct), en functioneel steeds gekoppeld aan Vraagtype — scenario-opgave en Vraagtype — bronnenvergelijking — deze drie vraagtypen komen dit tijdvak vaak in combinatie voor, niet los van elkaar.

Vraagtype — samenvatten in eigen woorden

  • Vraag 16 (2p) — vraagstelling: “Vat via onderstaande zinnen samen wanneer scheppingen van anderen je wel en wanneer ze je niet onzeker maken, gelet op alinea 4.” Letterlijk “vat samen”, via het invullen van twee onvolledige zinnen (geen vrije samenvatting, maar gestuurde zinsaanvulling).
  • Vraag 18 (1p) — “Vat deze tegenstelling samen door onderstaande zinnen aan te vullen.” Zelfde gestuurde vorm.
  • Frequentie: 2 expliciete hits met het werkwoord “samenvatten”/“vat samen” letterlijk in de vraagstelling.
  • Bijzonderheid t.o.v. de conceptnotitie: in dit tijdvak komt geen enkele vraag voor met een vrij te formuleren samenvatting van een hele alinea/tekst binnen een woordlimiet (het format “Vat alinea X samen in maximaal N woorden”); samenvatten wordt hier steeds ingebed in een gestuurde zinsaanvultaak, niet als vrijstaande open vraag.
  • Gewicht: licht (3p), maar wel het vaste “kern reduceren tot hoofd- versus ondergeschikte informatie”-principe.

Vraagtype — scenario-opgave

  • Vraag 10, 11 — scenario: werkstuk over straattaal schrijven, bronnen beoordelen.
  • Vraag 24 — scenario: drie leerlingen (Dora, Joram, Khalid) schrijven een beschouwing vanuit een eigen onderzoeksvraag; expliciete inleidende situatieschets (“Stel, de leerlingen… werken aan een beschouwing voor het vak Nederlands, elk vanuit een eigen onderzoeksvraag”).
  • Vraag 38 — scenario: werkstuk over haat, objectieve bronnen selecteren.
  • Vraag 39 — scenario: literatuuropdracht, kort literair verhaal zoeken.
  • Frequentie: 5 hits (10, 11, 24, 38, 39) — telkens ingeleid met “Stel, …” zoals de conceptnotitie voorspelt.
  • Bijzonderheid: anders dan de conceptnotitie als voorbeeld geeft (scenario met een debat tussen twee sprekers, “hoe zou deze tekst reageren binnen situatie X”), zijn de scenario’s dit tijdvak steeds schoolwerk-scenario’s (werkstuk, beschouwing, literatuuropdracht) die uitmonden in een bronbeoordelingsvraag — het scenario-vraagtype overlapt dit tijdvak dus sterk met bruikbaarheid/betrouwbaarheid, niet met “reageren binnen een debat”.
  • Gewicht: matig (7p direct via vraag 10/11/24/38/39), en structuurbepalend voor Deel 1 (slot) en Deel 3 (slot).

Vraagtype — sorteer- en synthesetaak

  • Vraag 1 (1p, MC) — conclusie afleiden door bevindingen uit alinea 1 t/m 3 te combineren (“leid uit meerdere alinea’s een algemene conclusie af” — letterlijk het voorbeeld uit de conceptnotitie).
  • Vraag 3 (1p) — “Welke twee van onderstaande vijf adviezen zijn dan het meest in lijn met alinea 5 en 6?” — indelen/selecteren.
  • Vraag 5 (2p) — zes mogelijke oorzaken, welke twee worden “duidelijk niet” besproken — selectie/categorisering.
  • Vraag 9 (4p) — tabel, 6 uitspraken categoriseren als tekst1/tekst2/allebei/geen (zie ook bronnenvergelijking — dit is het duidelijkste voorbeeld van overlap tussen beide vraagtypen).
  • Vraag 14 (2p) — tabel invullen (reden trainen / in spiegel kijken, voor ik-figuur vs. anderen) — ordenen van informatie in vaste categorieën.
  • Vraag 24 (2p) — drieledige categorisering (niet/argumentatie/voorbeeld) per leerling.
  • Vraag 26 (2p) — zeven mogelijke oorzaken, welke drie worden genoemd — selectietaak.
  • Frequentie: 7 hits (1, 3, 5, 9, 14, 24, 26) — sterk aanwezig, vaak in de vorm van “kies N van M” of tabel invullen.
  • Gewicht: zwaar (14p samen) — het is samen met bronnenvergelijking het meest toegepaste nieuwe vraagtype, en vaak in combinatie met bronnenvergelijking (vraag 9) of bruikbaarheid (vraag 24).

Vraagtype — stijl en framing herkennen

  • Vraag 4 (2p) — beeldspraak “grijs gebied” interpreteren i.r.t. hoofdgedachte tekst 1.
  • Vraag 7 (1p) — “Citeer drie afzonderlijke, duidelijk verschillende woorden uit tekst 2 die elk op zich dit kenmerk van straattaal benoemen.” Letterlijke citeeropdracht, exact zoals de conceptnotitie als typisch format noemt.
  • Vraag 13 (2p) — humoristische toon herkennen, 3 van 6 zinnen selecteren.
  • Vraag 20 (2p) — beeldspraak “spiegelpaleis”/“lachspiegels” interpreteren.
  • Vraag 22 (2p) — betekenis van een complexe figuurlijke zin interpreteren (MC).
  • Vraag 23 (3p) — “Citeer per onderdeel een zinsgedeelte uit alinea 7 van maximaal 10 woorden dat de beeldspraak uitlegt” — citeeropdracht met harde woordlimiet per citaat, gekoppeld aan een beeldspraak-tabel (4 onderdelen).
  • Frequentie: 6 hits (4, 7, 13, 20, 22, 23) — sterk geconcentreerd in Deel 2 (het literaire fragment “Gedachten op de crosstrainer”), wat logisch is gezien het figuurlijke/essayistische karakter van die tekst (aquarium-, spiegel- en Sisyphus-beeldspraak).
  • Belangrijke aanvulling via het correctievoorschrift: de aanvulling op het correctievoorschrift voegt voor vraag 23 een aparte regel toe: “Citaten die langer zijn dan 10 woorden en/of niet uit aaneensluitende tekst bestaan, moeten fout worden gerekend. Bij verkort citeren dient uitgegaan te worden van het aantal woorden in de tekst en niet in het verkorte citaat.” Dit bevestigt en verscherpt de aanpak-regel uit de conceptnotitie (“citeer exact zoals in de tekst staat, binnen de opgegeven woordlimiet per citaat”) — dit is dus geen losse randregel maar een terugkerend correctieprobleem.
  • Gewicht: zwaar (12p samen) — het op één na dominante vraagtype dit tijdvak, vrijwel volledig geconcentreerd in Deel 2.

Conclusies trekken over intenties en opvattingen van de auteur

  • Vraag 12 (1p, MC) — “Uit het taalgebruik in deze alinea blijkt een bepaalde houding van de ik-figuur tegenover deze realityshow. Met welk woord kan deze houding het best worden getypeerd? A beschaamd B geïrriteerd C sarcastisch D verwonderd” — exacte match met de typische vraagformulering uit de conceptnotitie.
  • Vraag 21 (2p) — bedoeling van de vrouw in de realityshow vergelijken met de bedoeling van de ik-figuur (zinnen aanvullen, “wel/niet dezelfde bedoeling”).
  • Vraag 31 (3p, max 50 woorden) — “In alinea 3 worden drie persoonlijke opvattingen van Lerner beschreven…” — opvattingen van een besproken persoon (niet de auteur zelf, maar functioneel identiek: afleiden van een houding/mening uit de tekst).
  • Frequentie: 3 hits (12, 21, 31), geconcentreerd in Deel 2 en het begin van Deel 3.
  • Gewicht: matig (6p samen).

Aanvaardbaarheid van een betoog beoordelen

  • Vraag 27 (1p, MC) — vraagstelling gebruikt het begrip letterlijk: “Een kritische lezer kan vinden dat deze uitspraak niet helemaal aanvaardbaar is, gelet op het vervolg van tekst 4. Waarom kan een kritische lezer dat vooral vinden?” — de enige vraag dit tijdvak die het toetsingscriterium expliciet benoemt.
  • Ondersteunend: vraag 8 (kritiek geven op een constatering, op basis van een andere tekst — functioneel een aanvaardbaarheidsbeoordeling zonder de term te gebruiken) en vraag 10 (twijfel aan relevantie van een verder betrouwbare bron).
  • Frequentie: 1 directe hit, 2 ondersteunende.
  • Gewicht: licht qua punten (1p direct), maar conceptueel belangrijk — vraag 27 is het duidelijkste “pas de toetsingscriteria toe”-moment van het examen.

Tekstsoort bepalen

  • Vraag 24 — de drie leerlingen werken aan “een beschouwing voor het vak Nederlands” — het genre van het te schrijven werk (beschouwend, niet betogend) is relevant om te begrijpen welk soort bruikbaarheid (argumentatie vs. voorbeeld) gevraagd wordt.
  • Vraag 39 — impliciet: tekst 7 (een embleem/gedicht van Jacob Cats, 1627) wordt als “kort literair verhaal” gebruikt in de vraagstelling, wat een students onderscheid tussen literaire/poëtische tekstsoort en de overige informatieve/beschouwende teksten (4, 5, 6, 8) veronderstelt bij het kiezen van het juiste antwoord.
  • Frequentie: 2 hits, beide impliciet/ondersteunend, geen enkele vraag vraagt direct “is dit tekst(deel) uiteenzettend, beschouwend of betogend?”.
  • Gewicht: licht — dit tijdvak wordt tekstsoort niet als zelfstandige vaardigheid getoetst, alleen als randvoorwaarde bij scenario-opgaven.

Aftrekregeling bij open vragen

  • Zeer hoge frequentie. Van de 39 vragen zijn er 13 met een expliciete “Beoordeel de spelling” of “Beoordeel de spelling en grammatica”-aantekening in het correctievoorschrift: vraag 2, 8, 10, 11, 14, 16, 18, 19, 21, 28, 29, 30, 31 — meer dan één op de drie vragen.
  • “Beoordeel de spelling en grammatica” (volledige-zinnen-eis) specifiek bij vraag 2, 10, 19, 31.
  • Woordlimieten: vraag 2 (max 25 woorden), vraag 19 (max 25 woorden), vraag 31 (max 50 woorden).
  • Belangrijke aanvulling op het correctievoorschrift (zie -aanvulling.pdf): bij vraag 2, 19 en 31 is achteraf de volgende opmerking toegevoegd: “Bij antwoorden langer dan de gestelde woordlimiet dient het deel na het genoemde maximumaantal woorden noch inhoudelijk, noch qua taalgebruik te worden beoordeeld.” — dit is een verduidelijking van een regel die al in de vakspecifieke regels staat maar er in het oorspronkelijke correctievoorschrift “onbedoeld” uit was weggevallen. Dit bevestigt dat de conceptnotitie het correct heeft, maar de notitie vermeldt momenteel alleen de spelling-aftrek en niet expliciet dat tekst ná de woordlimiet ook inhoudelijk wegvalt — mogelijk de moeite waard om dat aan de notitie toe te voegen.
  • Losse maar verwante aanvulling bij vraag 23 (citeeropdracht, geen doorlopende volzin): “Citaten die langer zijn dan 10 woorden en/of niet uit aaneensluitende tekst bestaan, moeten fout worden gerekend.” Dit is strikt genomen geen aftrekregeling voor taalgebruik, maar een parallelle strengheidsregel over woordlimieten bij citeeropdrachten — inhoudelijk sterk verwant, dus vermeld bij dit concept én bij Vraagtype — stijl en framing herkennen.
  • Frequentie: 13 vragen met spelling/grammatica-aantekening + 4 vragen (2, 19, 23, 31) expliciet in de aanvulling behandeld.
  • Gewicht: zeer zwaar procedureel (raakt potentieel tot 4 scorepunten aftrek per kandidaat, ongeacht inhoud), en dit tijdvak bevat de enige “echte fout”-achtige aanvulling van het correctievoorschrift — dus hoge examenrelevantie.

Toegestane hulpmiddelen bij het examen

  • Geen hits. Dit onderwerp komt in geen van de vier documenten van tijdvak 2 voor — logisch, want het is een algemene examenreglement-regel (woordenboek Nederlands toegestaan) die niet inhoudelijk aan specifieke teksten of vragen gebonden is en dus niet in opgaven/bijlage/correctievoorschrift terugkomt.

Overzicht (frequentietelling, dalend)

ConceptAantal geraakte vragenPunten (indicatief, overlap mogelijk)
Vraagtype — bronnenvergelijking14~20p
Aftrekregeling bij open vragen13 (+4 via aanvulling)procedureel
Vraagtype — sorteer- en synthesetaak714p
Vraagtype — stijl en framing herkennen612p
Vraagtype — bruikbaarheid en betrouwbaarheid beoordelen57p
Vraagtype — scenario-opgave57p
Standpunten en argumenten herkennen36p
Conclusies trekken over intenties en opvattingen van de auteur36p
Hoofdgedachte van een tekst bepalen2-33-4p
Vraagtype — samenvatten in eigen woorden23p
Relaties tussen tekstdelen aangeven24p
Tekstsoort bepalen2 (impliciet)—
Aanvaardbaarheid van een betoog beoordelen1 direct + 2 ondersteunend1p
Argumentatieschema’s herkennen0 expliciet, enkele impliciet—
Schrijfdoel van een tekst vaststellen0 direct—
Drogredenen herkennen0—
Toegestane hulpmiddelen bij het examen0n.v.t.

Belangrijkste observatie voor herhaling: dit tijdvak leunt zwaar op de “nieuwe vraagtypen sinds 2024” (bronnenvergelijking, sorteer/synthese, bruikbaarheid/betrouwbaarheid, scenario-opgave, stijl/framing) — samen goed voor de meerderheid van de scorepunten — terwijl de klassieke argumentatieleer (argumentatieschema’s, drogredenen) dit tijdvak nauwelijks tot niet apart bevraagd wordt. Deel 2 (het literaire fragment) is vrijwel volledig gewijd aan beeldspraak/framing-interpretatie; Deel 3 (vijf teksten over haat) is vrijwel volledig gewijd aan bronnenvergelijking.