Scheikunde CE VWO 2023 tijdvak 1 — digest

Reactievergelijkingen opstellen

  • Vraagnummer(s): 1, 6
  • Waar: vraag + correctievoorschrift (antwoordmodel geeft exacte scoringspunten per onderdeel van de vergelijking)
  • Frequentie: 2x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Geef de reactievergelijking van de omzetting van X tot Y” (Q1, glucose → pyrodruivenzuur, organisch); “Geef met behulp van figuur 1 de vergelijking van de reactie van dolomiet met opgelost koolstofdioxide” (Q6, anorganisch met veranderlijke samenstelling CaxMg(1-x)CO3). Scoring is opgebouwd uit deelscores: juiste stoffen links/rechts van de pijl + kloppende elementbalans met uitsluitend juiste formules.
  • Ruwe gewichtsinschatting: hoog — samen 5 punten, en dit vraagformat (balanceren met scoringsmodel per stof) komt vaker terug in andere tijdvakken

Stoichiometrische berekeningen

  • Vraagnummer(s): 2, 4, 17
  • Waar: vraag + correctievoorschrift (meerdere alternatieve rekenroutes toegestaan, elk met eigen deelscores)
  • Frequentie: 3x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Bereken de massa in gram … die maximaal … is ontstaan” (Q2); “Bereken het rendement van de vorming van …” (Q4); “Bereken de massa in kilogram … die moet worden gebruikt per batch” (Q17). Kenmerkend: keten van omrekeningen (gehalte → mol → mol product → massa), vaak met molverhoudingen uit een reactievergelijking.
  • Ruwe gewichtsinschatting: hoog — samen 13 scorepunten, meerderheid van de berekeningsvragen in dit tijdvak

Mol en molaire massa

  • Vraagnummer(s): 2, 4, 17, 18
  • Waar: vraag / correctievoorschrift (molaire massa’s gegeven of uit Binas gehaald, gebruikt in omrekeningen)
  • Frequentie: 4x
  • Typisch vraagformat/frasering: molaire massa expliciet gegeven in de vraagtekst (“De molaire massa van pyrodruivenzuur bedraagt 88,1 g mol–1”) en gebruikt als omrekenfactor in massa↔mol berekeningen.
  • Ruwe gewichtsinschatting: hoog — basisvaardigheid die in vrijwel elke rekenvraag terugkomt

Vetten

  • Vraagnummer(s): 3
  • Waar: vraag (context: onverzadigde vetzuren in triglyceriden van algenolie, ω-notatie, linolzuur, DHA)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Teken de structuurformule van DHA. Houd hierbij rekening met de stereochemie.” Vereist kennis van vetzuur-korte-notatie (22:6 ω-3) en omzetting naar structuurformule.
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — 3 punten, vetzuur/triglyceride-context ook relevant voor vraag 1-5 als geheel (biodieselthema)

Isomerie

  • Vraagnummer(s): 3
  • Waar: vraag (cis-configuratie van CH=CH-groepen expliciet vereist bij tekenen)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Houd hierbij rekening met de stereochemie” — vereist correct tekenen van cis-dubbele bindingen in een structuurformule.
  • Ruwe gewichtsinschatting: laag/gemiddeld — onderdeel van de 3 punten van vraag 3, niet apart bevraagd

Notatieconventies structuurformules

  • Vraagnummer(s): 3, 23
  • Waar: vraag (tekenopdrachten)
  • Frequentie: 2x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Teken de structuurformule van …” met notatie-eisen zoals verkorte weergave van herhalende eenheden (–(CH=CH–CH2)–) en polymeernotatie met golfstreepjes (~) voor de uiteinden van een polymeerfragment (Q23).
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — samen 6 punten, terugkerend format bij tekenvragen

Rendement

  • Vraagnummer(s): 4, 17, 25
  • Waar: vraag + correctievoorschrift (rendement als expliciete rekenstap, soms in combinatie met “rekening houdend met het rendement” als extra omrekening)
  • Frequentie: 3x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Bereken het rendement van de vorming van …” (Q4, %); ”… heeft een omzetting/rendement van 86,4%. Bereken de massa … die moet worden gebruikt” (Q17, rendement als correctiefactor); “Het nuttig rendement … is hierbij 70%. Bereken de maximale nuttige energie” (Q25).
  • Ruwe gewichtsinschatting: hoog — samen 13 punten, rendement is een steeds terugkerend rekenelement, zowel als eindantwoord als als tussenstap

Significante cijfers

  • Vraagnummer(s): 4, 25
  • Waar: vraag (expliciete instructie) + correctievoorschrift (apart scorepunt “significantie”)
  • Frequentie: 2x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.” — apart, afzonderlijk scorepunt in het beoordelingsmodel bovenop de rekenstappen.
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — klein maar vast onderdeel (1 scorepunt) bij grotere rekenvragen; makkelijk te missen scorepunt

Industriële processen

  • Vraagnummer(s): 5
  • Waar: vraag (uitwerkbijlage — blokschema van reactoren/scheidingsruimtes voltooien) + correctievoorschrift
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Maak op de uitwerkbijlage het blokschema compleet” met reactoren (R) en scheidingsruimtes (S) in serie, stofstromen benoemen met nummers.
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — 3 punten, vraagformat (blokschema/proceschema aanvullen) is kenmerkend voor industriële-procesvragen

Verhoudingsformule van zouten

  • Vraagnummer(s): 6
  • Waar: vraag (dolomiet CaxMg(1-x)CO3, met x tussen 0 en 1)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: niet-stoichiometrische verhoudingsformule met variabele x, gebruikt in reactievergelijking.
  • Ruwe gewichtsinschatting: laag — bijzonder geval binnen vraag 6, ondersteunend aan reactievergelijking

Atoombouw

  • Vraagnummer(s): 7, 9
  • Waar: vraag + correctievoorschrift
  • Frequentie: 2x
  • Typisch vraagformat/frasering: “4He ontstaat door het radioactief verval van 238U. … Geef het symbool en het aantal neutronen van dit deeltje” (Q7, α-verval, isotopennotatie); vergelijking van isotopenverhoudingen (3He/4He) om herkomst te bepalen (Q9).
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — samen 4 punten, isotopen/radioactief verval-thema

Massaspectrometrie interpreteren

  • Vraagnummer(s): 8
  • Waar: vraag (1p, kort antwoord)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Geef de analysetechniek die geschikt is voor het bepalen van de verhouding 3He/4He.” Antwoord: massaspectrometrie (als isotopenscheidingstechniek, niet als spectruminterpretatie).
  • Ruwe gewichtsinschatting: laag — 1 punt, kennisvraag zonder berekening

Concentratie en molariteit

  • Vraagnummer(s): 9
  • Waar: vraag (concentraties in M gegeven, gebruikt in verhoudingsberekening)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: concentraties als “4∙10–6 M” gegeven, gebruikt om een verhouding/percentage te berekenen en een conclusie te trekken (“Leg uit met behulp van een berekening of…”).
  • Ruwe gewichtsinschatting: laag/gemiddeld — 2 punten, concentratie hier vooral rekenkundig gebruikt

Lewisstructuren

  • Vraagnummer(s): 10
  • Waar: vraag + correctievoorschrift
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Teken de lewisstructuren van CO2 en H2O. Geef hierbij de juiste bindingshoeken weer.” — gecombineerd met partiële ladingen en intermoleculaire interactie in dezelfde vraag.
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — 3 punten, onderdeel van een samengestelde tekenvraag

VSEPR-theorie

  • Vraagnummer(s): 10
  • Waar: vraag (“Geef hierbij de juiste bindingshoeken weer”)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: bindingshoeken correct weergeven als onderdeel van lewisstructuur-tekenvraag (lineair CO2 vs gebogen H2O).
  • Ruwe gewichtsinschatting: laag — impliciet vereist binnen vraag 10, geen apart scorepunt

Formele en partiële lading

  • Vraagnummer(s): 10, 14, 20, 22
  • Waar: vraag + correctievoorschrift
  • Frequentie: 4x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Geef partiële ladingen aan” (Q10); “de positieve lading consequent geplaatst” bij PEP-H+ (Q14); “Teken een grensstructuur … Geef hierbij (de) formele lading(en) aan” (Q20, O2−-ion); “Leid af wat de lading is van dit ion” op basis van bindingsaantal aan N-atoom (Q22).
  • Ruwe gewichtsinschatting: hoog — meest terugkerende deelvaardigheid in dit tijdvak (4 vragen), vaak als los scorepunt binnen een tekenvraag

Polariteit van moleculen

  • Vraagnummer(s): 10
  • Waar: vraag (elektrostatische interactie tussen CO2 en H2O door partiële ladingen)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Geef in de tekening met een stippellijn een elektrostatische interactie aan tussen beide moleculen” — verklaart oplosbaarheidsverschil CO2 vs O2 in water.
  • Ruwe gewichtsinschatting: laag/gemiddeld — 1 van de 3 scorepunten van vraag 10

pH-berekeningen zwakke zuren en basen

  • Vraagnummer(s): 11, 12
  • Waar: vraag + correctievoorschrift
  • Frequentie: 2x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Verklaar met behulp van de tabel dat de pH van X hoger is dan de pH van Y. Gebruik hierbij de Kz van H2CO3” (Q11, kwalitatieve redenering met Kz-uitdrukking); “Bereken hoeveel procent van glyfosaat aanwezig is als HGlyf– bij pH = 7,00” (Q12, kwantitatief met Kz en verhouding [base]/[zuur]).
  • Ruwe gewichtsinschatting: hoog — samen 7 punten, klassiek zwak-zuur/evenwichtsvoorwaarde-vraagformat

Sterke en zwakke zuren en basen

  • Vraagnummer(s): 11
  • Waar: vraag (H2CO3 als zwak zuur, evenwicht i.p.v. volledige splitsing)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: gebruik van evenwicht (dubbele pijl) i.p.v. reactiepijl om aan te geven dat H2CO3 een zwak zuur is, als basis voor de Kz-redenering.
  • Ruwe gewichtsinschatting: laag — randvoorwaarde voor vraag 11, geen apart scorepunt

Chemisch evenwicht

  • Vraagnummer(s): 11
  • Waar: vraag (evenwicht 1: H2CO3 + H2O ⇌ H3O+ + HCO3−)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: redeneren met een evenwicht en de bijbehorende evenwichtsvoorwaarde/Kz om een concentratie- of pH-verschil te verklaren.
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — kern van de redenering in vraag 11 (3 punten)

Evenwichtsconstante berekeningen

  • Vraagnummer(s): 12
  • Waar: vraag + correctievoorschrift (expliciete Kz-uitdrukking als los scorepunt)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: opstellen van de evenwichtsvoorwaarde Kz = [Glyf2−][H3O+]/[HGlyf−], oplossen naar verhouding en omrekenen naar percentage.
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld/hoog — 4 punten, kwantitatieve Kz-berekening met percentageomzetting

Reactiemechanismen organisch

  • Vraagnummer(s): 13, 14
  • Waar: vraag (figuur met reactiemechanisme EPSPS-katalyse, PEP → PEP-H+)
  • Frequentie: 2x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Geef de formule van het deeltje X” dat ontstaat bij een omzetting weergegeven in een mechanismefiguur (Q13); “Teken een mogelijke structuurformule van PEP-H+” met gegeven dat één C-atoom geen volledig oktet heeft (Q14, carbokation-achtig tussenproduct).
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — samen 3 punten, mechanisme-figuur als bron voor twee opeenvolgende vragen

Formules van elementen en veelvoorkomende stoffen

  • Vraagnummer(s): 13
  • Waar: vraag (deeltje X = H2O, uit reactiebalans van het mechanisme)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: eenvoudige formule van een klein, veelvoorkomend molecuul afleiden uit massabalans van een figuur.
  • Ruwe gewichtsinschatting: laag — 1 punt

Eiwitsynthese

  • Vraagnummer(s): 15
  • Waar: vraag (uitwerkbijlage) + correctievoorschrift, met Binas-tabel 71G / ScienceData-tabel 16.9 (codontabel)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Geef op de uitwerkbijlage de symbolen van het basenpaar waarin de genetische code voor CP4 verschilt van EPSPS” — vereist aminozuur → codon (coderende streng) → complementaire matrijsstreng-base.
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — 2 punten, klassiek vraagformat met tabelgebruik

Nucleïnezuren

  • Vraagnummer(s): 15
  • Waar: vraag (coderende streng vs matrijsstreng, complementaire baseparing)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: onderscheid coderende streng/matrijsstreng en complementariteit (A-T, C-G) nodig om vraag correct te beantwoorden.
  • Ruwe gewichtsinschatting: laag/gemiddeld — ondersteunend aan vraag 15

Redoxreacties

  • Vraagnummer(s): 16, 19
  • Waar: vraag + correctievoorschrift
  • Frequentie: 2x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Leg uit … of de omzetting van DEA tot DSIDA een zuur-basereactie is of een redoxreactie” (Q16, beargumenteren via elektronenoverdracht i.p.v. H+-overdracht); “Leg uit of de lithiumelektrode … de positieve of de negatieve elektrode is” op basis van een halfreactie (Q19, oxidatie → negatieve elektrode).
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — samen 4 punten

Zuren en basen herkennen

  • Vraagnummer(s): 16
  • Waar: vraag (onderscheid zuur-base vs redox als denkstap)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: beoordelen of een omzetting een zuur-basereactie kan zijn door te kijken of OH− wordt omgezet in H2O (protonoverdracht) — hier expliciet weerlegd ten gunste van redox.
  • Ruwe gewichtsinschatting: laag — denkstap binnen vraag 16, geen apart scorepunt

Elektrochemische cel

  • Vraagnummer(s): 18, 19
  • Waar: vraag (context: lithium-luchtbatterij, halfreactie 1: Li → Li+ + e−)
  • Frequentie: 2x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Leid met behulp van een berekening af welke van deze twee batterijen de hoogste ladingsdichtheid heeft” (Q18, mol elektronen per gram metaal); “Leg uit of de lithiumelektrode … de positieve of de negatieve elektrode is” (Q19).
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — samen 4 punten

Elektrische energie opslag en productie

  • Vraagnummer(s): 18
  • Waar: vraag (context: metaal-luchtbatterijen, ladingsdichtheid als ontwerpcriterium)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: vergelijking van twee batterijtypen (Li-lucht vs Al-lucht) op ladingsdichtheid (lading per massa-eenheid), met reductor “opgeslagen” en oxidator (zuurstof) uit de lucht.
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — thema van het hele batterij-blok (vraag 18-25), concreet bevraagd in vraag 18

Mesomerie en grensstructuren

  • Vraagnummer(s): 20
  • Waar: vraag + correctievoorschrift (alternatieve grensstructuur expliciet goedgerekend)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Teken een grensstructuur van het O2−-ion. Geef hierbij (de) formele lading(en) aan.” — gecombineerd met radicaal-redenering (ongepaard elektron) voor reactiviteit.
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — 2 punten

Eiwitten

  • Vraagnummer(s): 21
  • Waar: vraag (1-lettercode aminozuursequenties van twee peptideketens vergelijken)
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Leg uit welke peptideketen bij hogere pH het meest Mn2+-ionen kan binden” — vereist herkennen van zure/basische/neutrale restgroepen (zoals E=glutaminezuur, zuur; K=lysine, basisch) en hun lading bij hogere pH.
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — 3 punten, vraagformat met 1-lettercode aminozuursequenties vergelijken

Polymerisatiereacties

  • Vraagnummer(s): 23, 24
  • Waar: vraag + correctievoorschrift
  • Frequentie: 2x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Teken de structuurformule van een gedeelte van een molecuul PVDF-HFP” gevormd door polyadditie uit twee genoemde monomeren (Q23); vervolgvraag over smeltbaarheid/vormgeving die teruggrijpt op het polymeertype (Q24).
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — samen 5 punten

Structuur-eigenschapsrelaties van materialen

  • Vraagnummer(s): 24
  • Waar: vraag + correctievoorschrift
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Leg uit of het copolymeer … in de juiste vorm kan worden gebracht door het materiaal te smelten” — redenering via thermoplast (geen crosslinks/ketenpolymeer) vs thermoset. Let op: dit antwoord is via een officiële aanvulling op het correctievoorschrift aangescherpt (extra opmerking over doorwerkende fout uit vraag 23).
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld — 2 punten

Berekeningen met vormingswarmten

  • Vraagnummer(s): 25
  • Waar: vraag + correctievoorschrift
  • Frequentie: 1x
  • Typisch vraagformat/frasering: “Bereken de maximale nuttige energie in joule die door deze lithium-luchtbatterij kan worden geleverd” met gegeven vormingswarmte van het product (Li2O2, –6,43·10^5 J mol–1) en rendement (70%) als correctiefactor.
  • Ruwe gewichtsinschatting: gemiddeld/hoog — 4 punten, laatste vraag, combineert stoichiometrie + vormingswarmte + rendement + significantie

Correctievoorschrift algemene regels

  • Vraagnummer(s): (n.v.t. — geldt voor het hele examen)
  • Waar: correctievoorschrift, secties “1 Regels voor de beoordeling”, “2 Algemene regels”, “3 Vakspecifieke regels” (o.a. regels over rekenfouten/eenheden bij berekeningen, tribune-ionen en coëfficiënten bij reactievergelijkingen, en het niet aanrekenen van toestandsaanduidingen als daar niet naar gevraagd wordt)
  • Frequentie: doorlopend van toepassing
  • Typisch vraagformat/frasering: geen directe examenvraag, maar generieke scoringsregels die op vrijwel elke berekenings- en reactievergelijkingsvraag van toepassing zijn (bijv. Q1,2,4,6,17,25).
  • Ruwe gewichtsinschatting: laag als apart onderwerp, maar hoog relevant voor scoretechniek bij oefenen

Examenwerkwoorden

  • Vraagnummer(s): 1, 2, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25 (vrijwel alle vragen)
  • Waar: vraag (instructiewerkwoorden)
  • Frequentie: zeer hoog — dominante werkwoorden in dit tijdvak: “Geef” (1,6,7,8,13,15), “Bereken” (2,4,9,12,17,25), “Teken” (3,10,14,20,23), “Leg uit” (11,16,19,21,24), “Leid af” (18,22), “Maak compleet” (5)
  • Typisch vraagformat/frasering: het gevraagde werkwoord bepaalt exact welk soort antwoord/deelscores verwacht worden (bijv. “Leg uit” vereist expliciete redenering, “Bereken” vereist volledige rekenroute inclusief eenheid en significantie)
  • Ruwe gewichtsinschatting: hoog — relevant als metavaardigheid over vrijwel het hele examen