Prioriteit: 🔴 Hoog

In 5 van de 6 onderzochte examenjaren: interest, aflossing of restschuld in een bepaald jaar berekenen, en de twee vormen vergelijken.

Wat moet je kunnen?

  • Per periode interest, aflossing en restschuld berekenen bij beide vormen.
  • De vormen vergelijken (hoogte van de lasten in de tijd, totale interest, renteaftrek).
  • Uitleggen wie hypotheekgever en wie hypotheeknemer is.

De kern

LineairAnnuïteit
aflossinggelijk: stijgt
interestdaaltdaalt
totale lastdaaltgelijk
totale interest over de looptijdlagerhoger
  • Interest in een periode = restschuld aan het begin van die periode × .
  • Annuïteit: aflossing = annuïteit − interest. De restschuld is de contante waarde van de resterende annuïteiten (zie Contante waarde en eindwaarde van een reeks gelijke bedragen).
  • Hypotheekgever = de lener (geeft het recht van hypotheek); hypotheeknemer = de bank.
  • Door de renteaftrek zijn de nettolasten lager dan de brutolasten; omdat het interestdeel daalt, neemt het voordeel af (zie Huren versus kopen van een woning).

Zo wordt het gevraagd

  • Interestkosten van jaar 13 bij een lineaire hypotheek en de aflossing van jaar 13 bij een annuïteitenhypotheek (2026-2 vraag 27–28).
  • Interest en aflossing van een annuïtaire banklening per halfjaar (2026-1 vraag 24, 2p).
  • “Leg uit of er bij een annuïtaire of bij een lineaire hypothecaire l[ening]…” (2024-2 vraag 27).
  • “Wie is/zijn de hypotheekgever(s)? Motiveer het antwoord” (2022-3 vraag 26–29).

Uitgewerkt voorbeeld

Jaar 13 bij beide vormen (examenstijl, vergelijk 2026-2 vraag 27–28)

Hypotheek €300.000, looptijd 30 jaar, 4% interest, jaarlijkse betaling. Lineair

  1. Aflossing per jaar:
  2. Restschuld begin jaar 13 (na 12 aflossingen):
  3. Interest jaar 13: €7.200

Annuïteit (annuïteit gegeven: €17.349,03)

  1. Restschuld begin jaar 13: €219.626,52 (contante waarde van de 18 resterende annuïteiten)
  2. Interest jaar 13:
  3. Aflossing jaar 13: €8.563,97

Valkuilen

  • De interest berekenen over de restschuld aan het eind van het jaar.
  • Na 12 jaar de restschuld na 13 aflossingen nemen.
  • Hypotheekgever en hypotheeknemer omdraaien.
  • Denken dat de aflossing bij een annuïteitenhypotheek gelijk blijft.

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt
  • (geen)