Prioriteit: 🟠 Midden

In 4 van de 8 onderzochte examenjaren, als typering (substituut of complement) of als berekening, soms samen met de eigen prijselasticiteit.

Wat moet je kunnen?

  • berekenen en het teken interpreteren.
  • Bepalen of goederen substituten of complementen zijn (ook uit een vraagfunctie).
  • De kruislingse en de eigen prijselasticiteit combineren in één berekening.

De kern

RelatieVoorbeeld
> 0substitutentrein en bus, koffie en thee
< 0complementenprinter en inkt, friet en mayonaise
≈ 0onafhankelijkbrood en schoenen
  • In een vraagfunctie : is , dan zijn het substituten; is , complementen.
  • Een prijsverandering van Y is een verschuiving van de vraaglijn naar X (zie Verschuiving van de vraaglijn).

Zo wordt het gevraagd

  • “Verklaar op basis van de vraagvergelijking(en) of beide spellen complementaire of substitueerbare goederen zijn” (2022-1 vraag 2, 1p).
  • “Zijn de andere producten uit het assortiment … gemiddeld genomen vooral complementaire goederen of vooral substitutiegoederen van friet?” (2021-2 vraag 1).
  • “Bereken aan de hand van tabel 2 de bezettingsgraad tijdens de spits als gevolg van het prijsvoorstel” met eigen en kruislingse elasticiteit (2019-2 vraag 13, 3p).

Uitgewerkt voorbeeld

Eigen en kruislingse elasticiteit samen (examenstijl, vergelijk 2019-2 vraag 13)

Bezetting in de spits is 100%. De spitsprijs stijgt 20% (eigen elasticiteit −0,2); de dalprijs daalt 10% (kruislingse elasticiteit spits/dal +0,3).

  1. Eigen effect:
  2. Kruislings effect: (goedkoper dal trekt reizigers weg uit de spits)
  3. Nieuwe bezetting ≈ 93%

Valkuilen

  • Het teken van de kruislingse elasticiteit omdraaien bij complementen.
  • De prijsverandering van het andere goed als beweging langs de eigen vraaglijn zien.
  • Vergeten dat een prijsdaling van een substituut de vraag naar X verlaagt.

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt
  • (geen)