Prioriteit: 🔴 Hoog
In 8 van de 8 onderzochte examenjaren: in elk tijdvak zijn meerdere vragen rekenvragen (“Bereken”, “Toon met een berekening aan”).
Wat moet je kunnen?
- Procentuele verandering en procentpuntverandering onderscheiden en berekenen.
- Rekenen met indexcijfers (ook samengesteld en met een ander basisjaar).
- Vergelijkingen en stelsels oplossen, en oppervlaktes (driehoek en rechthoek) in grafieken berekenen.
- Een “toon aan”-berekening volledig opschrijven.
De kern
| Onderwerp | Formule of regel |
|---|---|
| procentuele verandering | |
| procentpunt | verschil tussen twee percentages (van 4% naar 6% = 2 procentpunt = +50%) |
| indexcijfer | |
| reëel uit nominaal | |
| gewogen gemiddelde | |
| driehoek / rechthoek | / |
| contante waarde |
Een “toon aan”-berekening laat elke stap zien; het gegeven eindgetal alleen herhalen levert niets op.
Controleren
De oude notitie noemt een lijst van toegestane rekenmachines (alleen grondbewerkingen, geen wortel of machten) en een correctieregel voor rekenfouten (geen aftrek, behalve 1 punt bij een niet-gecontroleerd antwoord tot maximaal 3 punten). Beide staan niet in de digests; controleer ze in de actuele syllabus en het correctievoorschrift.
Zo wordt het gevraagd
- “Bereken … de procentuele toename van de nominale waarde van de staatsschuld” (2024-2 vraag 9).
- “Bereken de hoogte van de winst” in een meerstapsberekening (2024-2 vraag 26, 3p).
- “Toon met een berekening aan dat de aanleg van een afvanginstallatie per bedrijf € 39 miljoen bedraagt” (2022-2 vraag 7, 1p).
Uitgewerkt voorbeeld
Procent en procentpunt
De werkloosheid stijgt van 4,0% naar 5,0%.
- Verandering in procentpunten: 1 procentpunt
- Procentuele verandering: 25%
Reële groei uit indexcijfers
Nominaal loon: index 110; prijsindex: 104. Reëel loon: , dus een reële stijging van 5,8% (niet 110 − 104 = 6%).
Valkuilen
- Procenten en procentpunten verwisselen.
- Indexcijfers van elkaar aftrekken in plaats van delen.
- Tussenantwoorden te vroeg afronden.
- Een antwoord niet controleren met een ruwe schatting.
Test jezelf
Een prijs stijgt eerst 10% en daalt dan 10%. Is hij weer gelijk?
Nee: , dus 1% lager.
Wat is de contante waarde van €1.050 over één jaar bij 5% rente?
.
Examenvragen om te oefenen
Doe deze vragen uit echte examens
- 2024 tijdvak 2, vraag 9 en 26: staatsschuld en winstberekening (2p + 3p)
- 2022 tijdvak 2, vraag 7: kosten afvanginstallatie (1p)
Alle vindplaatsen
Aangetroffen in 8 van de 8 onderzochte examenjaren (2018–2026, 2020: geen examen gehouden) — 100%.
- 2026 tijdvak 1: vraag correctievoorschrift (relevant bij 2, 3, 9, 19, 20, 23, 27)
- 2025 tijdvak 2: vraag correctievoorschrift (relevant bij 2, 13, 19, 21, 28, 29)
- 2025 tijdvak 1: vraag correctievoorschrift (relevant bij 3, 11, 12, 14, 17, 18, 27)
- 2024 tijdvak 2: vraag 9, 19, 26
- 2024 tijdvak 1: vraag 8(sec), 17(sec)
- 2023 tijdvak 2: vraag 2, 12, 13
- 2023 tijdvak 1: vraag correctievoorschrift (relevant bij 4, 9, 15, 16, 17, 18, 20, 28)
- 2022 tijdvak 3: vraag correctievoorschrift (relevant bij 2, 4, 7, 12, 13, 16, 19, 25, 28)
- 2022 tijdvak 2: vraag 7
- 2022 tijdvak 1: vraag correctievoorschrift (relevant bij 1, 3, 11, 12, 17, 21, 27)
- 2021 tijdvak 1: vraag 1, 3
- 2019 tijdvak 2: vraag correctievoorschrift (relevant bij 3, 4, 5, 9, 10, 13, 16, 17, 23)
- 2019 tijdvak 1: vraag 2(sec), 17(sec)
- 2018 tijdvak 2: vraag correctievoorschrift (relevant bij 1, 6, 8, 13, 15, 17, 30)
- 2018 tijdvak 1: vraag 3(sec), 11(sec), 22(sec)
Ondersteunende onderwerpen
- (geen)