Prioriteit: 🟠 Midden

In 5 van de 8 onderzochte examenjaren, meestal samen met eiwitsynthese: basenvolgorde afleiden, strengen koppelen, bindingen tussen strengen (2–3p).

Wat moet je kunnen?

  • De complementaire streng en de coderende streng afleiden.
  • Benoemen welke interacties de twee DNA-strengen bij elkaar houden.
  • Redeneren over DNA-methoden zoals Sanger-sequencing.

De kern

DNARNA
suikerdesoxyriboseribose
basenA, C, G, TA, C, G, U
vormdubbele streng (helix)enkele streng
  • Nucleotide = suiker + fosfaat + base. De ruggengraat is suiker–fosfaat–suiker.
  • Basenparing: A–T (2 waterstofbruggen), G–C (3 waterstofbruggen). In RNA paart A met U.
  • De strengen lopen antiparallel (5′→3′ tegenover 3′→5′).
  • Tussen de strengen: waterstofbruggen tussen de basen én stapeling van de basen.
  • Sanger: een dd-base mist de OH-groep voor de volgende koppeling, dus de keten stopt daar.

Zo wordt het gevraagd

  • “Noem de twee soorten bindingen die hierbij tussen de DNA-strengen worden verbroken” (2026-2): H-bruggen en basenstapeling.
  • “Geef de basevolgorde van de coderende streng van het fragment met nummer 2” (2026-2).
  • “Nucleïnebase … is vervangen door …”: vast antwoordformat (2023-2).

Uitgewerkt voorbeeld

Complementaire streng

Coderende streng: 5′-ATG GCA TTC-3′.

  1. Matrijsstreng (complementair, antiparallel): 3′-TAC CGT AAG-5′
  2. mRNA (zelfde als coderend, T → U): 5′-AUG GCU UUC-3′

Controle: elke A tegenover T, elke G tegenover C. ✓

Valkuilen

  • U in DNA schrijven of T in RNA.
  • De matrijsstreng aanzien voor de coderende streng.
  • Bij de bindingen tussen strengen atoombindingen noemen: dat zijn waterstofbruggen en stapeling.

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt