Prioriteit: 🔴 Hoog

In 7 van de 8 onderzochte examenjaren, bijna altijd als puzzel met de codontabel: basenummer ↔ aminozuurnummer, of een mutatie terugvertalen (2–4p).

Wat moet je kunnen?

  • Van een coderende DNA-streng naar mRNA naar aminozuren vertalen, en terug.
  • Een basenummer omrekenen naar het aminozuurnummer (en de plek in het codon).
  • Een mutatie afleiden en noteren (zoals Q86E) en het gevolg geven (ander aminozuur, stopcodon).
  • Het aantal aminozuren in een eiwit bepalen met start- en stopcodon.

De kern

StrengVerband
coderende DNA-strengzelfde volgorde als het mRNA, maar met T in plaats van U
matrijsstreng (DNA)complementair aan de coderende streng (A–T, G–C)
mRNAcomplementair aan de matrijsstreng (A–U, G–C)
  • Codon: drie opeenvolgende basen op het mRNA, codeert voor één aminozuur (codontabel: Binas-tabel 71G).
  • Startcodon AUG (methionine) = aminozuur 1. Stopcodons: UAA, UAG, UGA (geen aminozuur).
  • Aminozuur nummer wordt gecodeerd door de basen , en , geteld vanaf de A van het startcodon.
  • Omgekeerd: base nummer hoort bij aminozuur (naar boven afronden).
  • Mutatienotatie: oud aminozuur (1-lettersymbool), nummer, nieuw aminozuur: Q86E = glutamine op plek 86 is glutaminezuur geworden.
  • Een mutatie die een stopcodon oplevert, breekt de synthese voortijdig af: het eiwit is te kort.

Zo wordt het gevraagd

  • “Leid met behulp van het gegeven voorbeeld af wat de notatie is van de mutatie” (2026-2, 2021-1): basenummer → aminozuurnummer → 1-letternotatie. 3–4p.
  • “Leid af voor welke aminozuureenheid in gezond dystrofine dit codon codeert. Geef aan wat het gevolg van de mutatie is voor de eiwitsynthese” (2025-1): stopcodon herkennen.
  • “Geef op de uitwerkbijlage de symbolen van het basenpaar waarin de genetische code … verschilt” (2023-1): aminozuur → codon → basen op beide strengen.
  • “Bepaal … het aantal aminozuureenheden in de eiwitketen” (2022-1): stopcodon zoeken en delen door 3.

Uitgewerkt voorbeeld

Basenummer naar aminozuur (examenstijl, vergelijk 2026-2 vraag 12)

In een gen is base 1225 (geteld vanaf de A van het startcodon) gemuteerd. Welk aminozuur is getroffen?

  1. , naar boven afronden: aminozuur 409.
  2. Codon 409 bestaat uit de basen t/m : de mutatie zit op de eerste base van het codon.
  3. Zoek in de codontabel welk aminozuur het oude en het nieuwe codon geven, en noteer als oud–409–nieuw (bijvoorbeeld A409T als alanine threonine wordt).

Controle: codon 1 = basen 1–3, codon 409 = basen 1225–1227. ✓

DNA naar aminozuren (examenstijl, vergelijk 2025-2 vraag 21)

Coderende streng: ~ATT GTC CCC

  1. mRNA: AUU GUC CCC (T → U)
  2. Codontabel: AUU = Ile (I), GUC = Val (V), CCC = Pro (P)
  3. De laatste drie aminozuren zijn I–V–P.

Valkuilen

  • De matrijsstreng gebruiken in de codontabel in plaats van de coderende streng / het mRNA.
  • T laten staan in het mRNA.
  • Verkeerd tellen: vergeten dat het startcodon aminozuur 1 is.
  • Bij naar beneden afronden in plaats van naar boven.
  • Een stopcodon als aminozuur meetellen.

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt