Prioriteit: 🔴 Hoog

In 6 van de 6 onderzochte examenjaren, als bouwsteen in bijna elke kostprijs-, break-even- of begrotingsvraag, en soms als verklaarvraag (1–3p).

Wat moet je kunnen?

  • Kostensoorten indelen in constant of variabel en dat motiveren.
  • De totale constante kosten van een jaar samenstellen.
  • Met de differentiemethode constante en variabele kosten uit twee kostenniveaus halen.
  • Uitleggen waarom veel constante kosten het bedrijfsrisico vergroten.

De kern

SoortVoorbeeldenBij meer productie
constanthuur, afschrijving, vaste lonen, interest, verzekeringtotaal gelijk, per stuk lager
(proportioneel) variabelgrondstoffen, inkoop, verpakking, commissietotaal stijgt evenredig, per stuk gelijk

Differentiemethode

Zo wordt het gevraagd

  • “Bereken de verwachte constante kosten over [jaar]”: personeelskosten, interest, afschrijving en overige kosten optellen (2021-1 vraag 11, 3p).
  • “Bereken op basis van informatiebron 5 de verwachte variabele kosten per motor” met de differentiemethode (2021-3 vraag 23).
  • “Noem het verschil tussen constante en variabele kosten. Betrek beide begrippen in je antwoord.” (2024-1 vraag 24, 1p).
  • Uitleggen dat relatief veel constante kosten het bedrijfsrisico vergroten (2022-1 vraag 24, 2p).

Uitgewerkt voorbeeld

Differentiemethode (examenstijl, vergelijk 2021-3 vraag 23)

Bij 1.000 stuks zijn de totale kosten €150.000, bij 1.500 stuks €190.000.

  1. €80 per stuk
  2. Constante kosten: €70.000

Controle bij 1.500 stuks: . ✓

Valkuilen

  • Vaste lonen als variabel indelen (ze worden betaald, ook als er minder werk is).
  • De totale kosten door de productie delen en dat de variabele kosten noemen (dat is de integrale kostprijs).
  • Interest vergeten bij de constante kosten.

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
  • (geen)
Onderwerpen die dit ondersteunt