Prioriteit: 🟢 Laag
In 2 van de 6 onderzochte examenjaren, als mutatieoverzicht in de uitwerkbijlage.
Wat moet je kunnen?
- Per financieel feit aangeven welke balansposten veranderen en of het resultaat verandert.
- Het bedrag berekenen waarmee een balanspost verandert.
De kern
| Feit | Balans | Resultaat |
|---|---|---|
| verkoop op rekening | debiteuren ↑, voorraad ↓, te betalen btw ↑ | opbrengst en inkoopwaarde → winst ↑ |
| inkoop op rekening | voorraad ↑, crediteuren ↑, te vorderen btw ↑ | geen |
| aflossing lening | liquide middelen ↓, lening ↓ | geen |
| interest betalen | liquide middelen ↓ | kosten ↑ |
| afschrijving | vaste activa ↓ | kosten ↑ |
| privéopname (eenmanszaak) | liquide middelen ↓, eigen vermogen ↓ | geen |
- Controle: de balans blijft in evenwicht (activa = passiva) na elk feit (zie Balans opbouw).
- Kosten en uitgaven vallen niet altijd samen (zie Periodetoerekeningstelsel en kasstelsel).
Valkuilen
- Een aflossing als kosten zien.
- Btw meerekenen in de opbrengst.
Test jezelf
Wat gebeurt er met het eigen vermogen bij een afschrijving?
Het daalt via het resultaat (lagere winst).
Verandert het resultaat als een klant een openstaande factuur betaalt?
Nee: liquide middelen stijgen en debiteuren dalen evenveel.
Alle vindplaatsen
Aangetroffen in 2 van de 6 onderzochte examenjaren (2021-2026) — 33,3%.
- 2024 tijdvak 2: vraag 5
- 2024 tijdvak 1: vraag 21
- 2021 tijdvak 3: vraag 27
- 2021 tijdvak 1: vraag 16