Prioriteit: 🔴 Hoog
In 8 van de 8 onderzochte examenjaren; structureel ongeveer de helft van alle vragen, en samen met de meerkeuze-invulvraag zo’n 60–74% van de scorepunten.
Wat moet je kunnen?
- Een meerkeuzevraag systematisch aanpakken: vraag, passage, eigen antwoord, dan opties.
- Afleiders herkennen en wegstrepen.
- Omgaan met varianten: drie, vijf of zes opties, en de negatieve vraag (NOT mentioned).
De kern
| Stap | Wat je doet |
|---|---|
| 1. lees de vraag | welke alinea, welke persoon, welk soort vraag (hoofdgedachte, functie, toon)? |
| 2. lees de passage | plus de zin ervoor en erna |
| 3. formuleer zelf | een kort antwoord in je hoofd |
| 4. vergelijk | kies de optie die jouw antwoord het best dekt |
| 5. controleer | wijs de zin aan die jouw keuze onderbouwt |
Afleiders
- Klopt met de tekst, maar beantwoordt een andere vraag (verkeerde alinea, detail in plaats van kern).
- Omgekeerd of overdreven (always, never, all).
- Plausibel maar niet gedekt door de tekst.
- Neemt letterlijk woorden uit de tekst over, maar zegt iets anders.
Scoring: 1 punt voor het goede antwoord, geen deelscore. Omcirkel precies één letter.
Zo wordt het gevraagd
- De vragen zelf zijn in het Engels: “What is the main point made in paragraph X?”, “What is the function of …?”, “How can the tone … be characterised best?”.
- Soms drie opties (2019-1 vraag 2, 10, 13) of vijf (2026-1 vraag 21, 26, 27, 34, 42).
- Negatieve variant: welke optie wordt niet genoemd (2026-2 vraag 3 en 29).
Uitgewerkt voorbeeld
Negatieve vraag (examenstijl, vergelijk 2026-2 vraag 3)
Eigen voorbeeld: The report blames rising rents on low supply, tourist lets and investors buying up flats. Which of the following is NOT mentioned as a cause of rising rents?
- A. a shortage of homes → genoemd (low supply)
- B. short-term holiday rentals → genoemd (tourist lets)
- C. higher interest rates → niet genoemd
- D. investors → genoemd
Antwoord: C. Bij een NOT-vraag streep je af wat er wel staat.
Valkuilen
- Het woord NOT of except over het hoofd zien.
- Te lang twijfelen tussen twee opties: ga terug naar de tekst en zoek het onderscheidende woord.
- Een optie kiezen op basis van algemene kennis in plaats van de tekst.
- Een vraag openlaten: een gok kost niets.
Test jezelf
Hoeveel punten kost een fout antwoord op een meerkeuzevraag?
Niets extra: je krijgt 0 punten voor die vraag, er is geen aftrek. Dus altijd iets invullen.
Twee opties lijken goed. Wat doe je?
Zoek het woord waarin ze verschillen en controleer precies dat in de tekst.
Examenvragen om te oefenen
Doe deze vragen uit echte examens
- 2026 tijdvak 2, vraag 3 en 29: negatieve meerkeuzevragen (1p + 1p)
- 2026 tijdvak 1, vraag 21 en 42: vijf opties (1p + 1p)
- 2019 tijdvak 1, vraag 2 en 10: drie opties (1p + 1p)
Alle vindplaatsen
Aangetroffen in 8 van de 8 onderzochte examenjaren (2018–2026, 2020: geen examen gehouden) — 100%. Structureel het grootste vraagtype: 18-25 vragen per tijdvak (~43-56% van het totaal), samen met Vraagtype meerkeuze-invulvraag doorgaans ~60-74% van alle scorepunten — bevestigt de eigen notitieregel.
- 2026 tijdvak 2 — 18/42 (~43%): incl. de nieuwe “NOT mentioned”-variant (vraag 3, 29) en een 6-optievraag (17).
- 2026 tijdvak 1 — 20/43 (~47%): relatief veel 5-optievragen (21, 26, 27, 34, 42).
- 2025 tijdvak 2 — 19/41 (~46%, ~71% samen met invulvraag): 3-optievraag (29), drie 5-optievragen (38-40).
- 2025 tijdvak 1 — 21/42 (50%): één 5-optievraag (33).
- 2024 tijdvak 2 — 22x (grootste categorie): standaard A-D/A-E.
- 2024 tijdvak 1 — 19x: 1× A-C (vraag 6), 3× A-E (14, 20, 34).
- 2023 tijdvak 2 — 24/43 (56%).
- 2023 tijdvak 1 — 19x: 1× 3-opties (vraag 18); noteerde discrepantie met correctievoorschrift-regel 4 (0 punten i.p.v. “score N” bij meerdere antwoorden — mogelijk is N een Wolf/verzamelstaat-term, niet uit het beoordelingsmodel zelf).
- 2022 tijdvak 3 — 18/41 (~44%): grote spreiding in optieaantal — 3 opties komt bijna even vaak voor als 4 (11 vs. 14 vragen); vraag 11 is een hybride MC-en-bewering-structuur (“only 1/only 2/both/neither”).
- 2022 tijdvak 2 — 22/40 (55%, ~70% samen met invulvraag): drie 5-optievragen.
- 2022 tijdvak 1 — ±25 vragen: 2× 3-opties, 1× 5-opties.
- 2021 tijdvak 3 — 19/44 (~43%): vraag 8 heeft volledige zinnen als opties i.p.v. losse woorden (grensgeval met invulvraag).
- 2021 tijdvak 2 — 23/42 (~55%): brede optiespreiding (3 tot 5 opties).
- 2021 tijdvak 1 — 22/42 (~52%, ~74% samen met invulvraag — hoger dan de “~60%“-vuistregel): vijf vragen met afwijkend optieaantal.
- 2019 tijdvak 2 — 22/41 (~54%, ~71% samen met invulvraag): brede spreiding (3 tot 6 opties).
- 2019 tijdvak 1 — 20x: 8 van de 20 (40%) hebben een afwijkend aantal opties (3, 5 of 6 i.p.v. 4) — opvallend hoog aandeel.
- 2018 tijdvak 2 — 16x (~58% samen met invulvraag): optieaantal varieert van 3 tot 6 (A-F).
- 2018 tijdvak 1 — 19x (~62,5% samen met invulvraag): 3 opties bij 3 vragen, 5 opties bij 1 vraag.
- Structurele nuancering op de notitie-definitie “vier opties (A-D)”: het aantal opties wisselt regelmatig tussen 3 en 6, met 5-optievragen als meest voorkomende afwijking en 3-optievragen bijna even vaak (vooral 2019-1, 2022-3). Correctievoorschrift-regel 4 herhaalt in vrijwel elk tijdvak letterlijk: “Indien meer dan één antwoord gegeven is, worden eveneens geen scorepunten toegekend.”
Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt
- (geen)