Prioriteit: đź”´ Hoog

In 3 van de 3 onderzochte examenjaren. Meestal meerkeuze of koppelen, met 4–8 opties uit de standaardlijst hieronder.

Wat moet je kunnen?

  • De standaardnamen van alle drogredenen kennen en herkennen.
  • Kiezen tussen een fout in het argument en een fout in de manier van discussiĂ«ren.
  • Kort uitleggen waarom iets een drogreden is.

De kern

Soort 1: het argumentatieschema klopt niet. De fout zit in de inhoud van het argument.

DrogredenHerken je aan
Onjuist beroep op oorzaak-gevolg”Na A kwam B, dus A veroorzaakte B”, of een oorzaak die niet volstaat
Onjuist beroep op kenmerkéén kenmerk krijgt te veel gewicht
Overdrijven van een voor- of nadeelgevolgen worden schromelijk opgeblazen
Vals dilemma”Óf A óf B”, terwijl er meer mogelijkheden zijn
Overhaaste generalisatiete weinig of niet-representatieve voorbeelden
Verkeerde vergelijkingsituaties die op een relevant punt verschillen
Onjuist beroep op autoriteitde bron is niet deskundig, heeft er belang bij, of spreekt zichzelf tegen

Soort 2: een discussieregel wordt overtreden. De fout zit in hoe er gediscussieerd wordt.

DrogredenHerken je aan
Persoonlijke aanvalde persoon wordt aangevallen, niet het argument
Ontduiken van de bewijslastgeen argument geven, of de ander laten bewijzen dat het níét zo is
Cirkelredeneringhet standpunt in andere woorden als argument
Vertekenen van een standpunthet standpunt van de ander verkeerd weergeven
Bespelen van het publiekinspelen op emoties in plaats van argumenten
flowchart TD
    A[Uitspraak met een drogreden] --> B{Gaat het om de inhoud<br>van het argument?}
    B -- ja --> C{Welk schema?<br>oorzaak / kenmerk / voor-nadeel /<br>voorbeeld / vergelijking / autoriteit}
    C --> D[Soort 1: onjuist beroep op ...]
    B -- nee, om hoe er<br>gediscussieerd wordt --> E{Wat gebeurt er<br>met de tegenstander<br>of het publiek?}
    E --> F[Soort 2: persoonlijke aanval / bewijslast /<br>cirkel / vertekenen / bespelen]

Zo wordt het gevraagd

  • “Welke drogreden wordt hier gebruikt?” Meerkeuze met 4–5 opties (2024-2, 2025-2).
  • “Geef voor elke uitspraak aan welke drogreden het is. Een drogreden kan maar één keer worden gebruikt.” Koppelen met 7–8 opties (2024-1 vraag 20, 2025-2 vraag 6).
  • Impliciet: “Citeer de zin die laat zien dat het standpunt wordt vertekend”, zonder dat het woord “drogreden” valt (2024-1 vraag 15).
  • Let op: in 2026-1 (vraag 32) moest het correctievoorschrift achteraf worden aangepast. Het verschil tussen overdrijven van een voor-/nadeel en ontduiken van de bewijslast is lastig. Bij de eerste wordt wĂ©l een argument gegeven, maar een overdreven een. Bij de tweede ontbreekt het argument helemaal.

Uitgewerkt voorbeeld

Drogreden benoemen (examenstijl, vergelijk 2024-1 vraag 20)

“Als we de maximumsnelheid in de stad naar 30 km/u verlagen, komt er straks niemand meer winkelen en gaan alle winkels failliet.”

  1. Is het een fout in de inhoud of in de discussie? Inhoud. Er wordt een argument gegeven (een gevolg).
  2. Welk schema? Er wordt gewezen op een nadeel van een maatregel, dus het voor-/nadeelschema.
  3. Wat gaat er mis? Het nadeel wordt enorm opgeblazen (“niemand”, “alle winkels”).
  4. Antwoord: overdrijven van een nadeel (onjuist beroep op het voor-/nadeelschema).

Afvallers: geen vals dilemma (er worden geen twee opties gesteld) en geen vertekening (er wordt geen standpunt van iemand anders weergegeven).

Valkuilen

  • Vertekenen verwarren met overdrijven. Bij vertekenen wordt het standpunt van de ander verdraaid. Bij overdrijven worden de gevolgen opgeblazen.
  • Persoonlijke aanval verwarren met onjuist beroep op autoriteit. Valt iemand de tegenstander aan, of beroept hij zich op een slechte bron?
  • Cirkelredenering verwarren met ontduiken van de bewijslast. Bij de cirkel wordt het standpunt herhaald als argument. Bij ontduiken wordt er helemaal geen argument gegeven.
  • Te snel kiezen. Streep bij koppelvragen eerst de opties weg die zeker niet passen.

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt