Prioriteit: 🟠 Midden

In 3 van de 8 onderzochte examenjaren, recent zwaar (2026-2: 5p): energie-inhoud en energiedichtheid berekenen en brandstoffen vergelijken met een figuur.

Wat moet je kunnen?

  • Energie-inhoud (kWh kg⁻¹) en energiedichtheid (kWh dm⁻³) berekenen uit de reactiewarmte.
  • Brandstoffen vergelijken met een figuur, rekening houdend met massa- én volume-eisen.
  • Uitleggen waarom een hogere C/H-verhouding meer CO₂ per joule geeft.

De kern

GrootheidEenheidBerekening
energie-inhoudkWh kg⁻¹ of J kg⁻¹energie per mol ÷ (kg mol⁻¹)
energiedichtheidkWh dm⁻³energie-inhoud × dichtheid (kg dm⁻³)
  • 1 kWh = J.
  • C/H-verhouding hoog → meer CO₂ per vrijgekomen joule (bij waterstof-rijke brandstoffen komt meer energie uit H → H₂O).
  • Emissies: CO₂ (broeikasgas), NOₓ (N₂ + O₂ bij hoge temperatuur), SO₂ (uit zwavel in de brandstof), CO bij onvolledige verbranding.
  • Biobrandstof: kortcyclisch CO₂ (zie Duurzame energieproductie uit biomassa).

Zo wordt het gevraagd

  • “Bereken van ijzer de energie-inhoud in kWh kg⁻¹ en de energiedichtheid in kWh dm⁻³. Teken op de uitwerkbijlage het punt van Fe in de grafiek” (2026-2): 3p.
  • “Leg uit aan de hand van de figuur … of volgens deze eisen diesel of zink de beste brandstof is. Betrek beide eisen in je antwoord” (2026-2): 2p.

Uitgewerkt voorbeeld

IJzer als brandstof (examenstijl, vergelijk 2026-2 vraag 21)

, J mol⁻¹, kg dm⁻³.

  1. Per mol Fe: J vrij
  2. Per kg: J = 2,05 kWh kg⁻¹
  3. Per dm³: 16,1 kWh dm⁻³

Valkuilen

  • J en kWh door elkaar halen.
  • Bij “beide eisen” maar één eis (massa of volume) gebruiken.
  • Vergeten dat bij verbranding van biobrandstof óók CO₂ vrijkomt.

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt
  • (geen)