Prioriteit: 🟠 Midden

In 3 van de 8 onderzochte examenjaren expliciet (1–2p), maar als basiskennis nodig bij vrijwel elke reactievergelijking.

Wat moet je kunnen?

  • Bij een naam de formule geven en andersom, voor de stoffen op de syllabuslijst.
  • Weten welke elementen als moleculen voorkomen (H₂, O₂, …).
  • Een ontbrekende formule afleiden uit een atoombalans.

De kern

SoortFormules
twee-atomige elementenH₂, N₂, O₂, F₂, Cl₂, Br₂, I₂
overige moleculaire elementenP₄, S₈
metalen, edelgassen, C, Sials atoom: Fe, Cu, Na, He, Ar, C …
triviale namenwater H₂O, ammoniak NH₃, waterstofperoxide H₂O₂, glucose C₆H₁₂O₆
zurensalpeterzuur HNO₃, zwavelzuur H₂SO₄, fosforzuur H₃PO₄, azijnzuur CH₃COOH

Zo wordt het gevraagd

  • Een klein, veelvoorkomend molecuul afleiden uit de massabalans van een figuur (2023-1 vraag 13): 1p.
  • Welke stof je oplost om ammoniumnitraat te krijgen: salpeterzuur (2019-1 vraag 26).
  • Formules zoals CaCN₂, CaCO₃, C₁₂H₂₂O₁₁ correct gebruiken in een vergelijking (2025-2).

Uitgewerkt voorbeeld

Onbekend deeltje uit een atoombalans (examenstijl, vergelijk 2023-1 vraag 13)

In een figuur wordt C₃H₄O₃ omgezet in C₂H₄O en deeltje X.

  1. C: ; H: ; O:
  2. X = CO₂

Valkuilen

  • O in plaats van O₂ (of Cl in plaats van Cl₂) schrijven voor het element.
  • Zoutzuur als “HCl(l)” opschrijven terwijl de ionen H₃O⁺ en Cl⁻ bedoeld zijn.

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt