Prioriteit: π’ Laag
In 2 van de 8 onderzochte examenjaren, als oplosevenwicht (bijv. tandglazuur bij verschillende pH) of redeneren met .
Wat moet je kunnen?
- Met een oplosbaarheidstabel bepalen of een zout goed of slecht oplost, en of er een neerslag ontstaat.
- Een oplosevenwicht en de -uitdrukking opstellen, en redeneren met hoge of lage .
De kern
- Oplossen: ionrooster β gehydrateerde ionen.
- Neerslagreactie: twee ionen die samen een slecht oplosbaar zout vormen, .
- ; een kleinere (bij vergelijkbare formule) betekent slechter oplosbaar.
- Een ion wegvangen (bijv. OHβ» met HβOβΊ) verschuift het oplosevenwicht: het zout lost verder op (zie Verschuiving van evenwicht).
- Oplosbaarheid en staan in je informatieboek.
Valkuilen
- Bij een neerslagreactie tribune-ionen meenemen.
- -waarden vergelijken van zouten met een heel andere formule (AB tegenover ABβ).
Test jezelf
Je mengt zilvernitraat met natriumchloride. Geef de vergelijking van de reactie.
(NaβΊ en NOββ» zijn tribune-ionen).
Waarom lost tandglazuur sneller op bij lage pH?
HβOβΊ vangt OHβ» (en fosfaat) weg: het oplosevenwicht verschuift naar de kant van de opgeloste ionen.
Alle vindplaatsen
Aangetroffen in 2 van de 8 onderzochte examenjaren (2018β2026, 2020: geen examen gehouden) β 25%.
- 2025 tijdvak 2: vraag 2, 8, 9
- 2022 tijdvak 2: vraag 6