Prioriteit: 🟒 Laag

In 2 van de 8 onderzochte examenjaren, als oplosevenwicht (bijv. tandglazuur bij verschillende pH) of redeneren met .

Wat moet je kunnen?

  • Met een oplosbaarheidstabel bepalen of een zout goed of slecht oplost, en of er een neerslag ontstaat.
  • Een oplosevenwicht en de -uitdrukking opstellen, en redeneren met hoge of lage .

De kern

  • Oplossen: ionrooster β†’ gehydrateerde ionen.
  • Neerslagreactie: twee ionen die samen een slecht oplosbaar zout vormen, .
  • ; een kleinere (bij vergelijkbare formule) betekent slechter oplosbaar.
  • Een ion wegvangen (bijv. OH⁻ met H₃O⁺) verschuift het oplosevenwicht: het zout lost verder op (zie Verschuiving van evenwicht).
  • Oplosbaarheid en staan in je informatieboek.

Valkuilen

  • Bij een neerslagreactie tribune-ionen meenemen.
  • -waarden vergelijken van zouten met een heel andere formule (AB tegenover ABβ‚‚).

Test jezelf


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt