Prioriteit: 🟠 Midden

In 3 van de 8 onderzochte examenjaren, als kleine losse vraag (1–2p): een verhoudingsformule geven, of een ionverhouding afleiden uit een ladingsbalans.

Wat moet je kunnen?

  • De verhoudingsformule opstellen uit de ladingen van de ionen.
  • Een molverhouding van ionen afleiden uit de ladingsbalans (ook met drie soorten ionen).
  • Een zout herkennen dat ontstaat na een zuur-basereactie.

De kern

  1. Bepaal de ladingen (zie Ionen).
  2. Zoek de kleinste aantallen waarbij totaal + = totaal −.
  3. Samengesteld ion meer dan één keer: haakjes, bijv. (NO₃)₂.
  4. Ionladingen mag je in de formule laten staan (Na⁺Cl⁻).
IonenFormule
Ca²⁺ + PO₄³⁻Ca₃(PO₄)₂
Al³⁺ + SO₄²⁻Al₂(SO₄)₃
Mg²⁺ + NO₃⁻Mg(NO₃)₂

Zo wordt het gevraagd

  • “Geef de verhoudingsformule van het gevormde [calciumzout]” na reactie van een zuur met calciumhydroxide (2023-2): 1p.
  • “Geef een mogelijke verhoudingsformule van het gevonden zout” bij een gegeven ionverhouding plus een derde ionsoort uit de context (2022-2).
  • “Leid de molverhouding tussen Fe²⁺-ionen en Fe³⁺-ionen in dit dubbelzout af” (2025-2).

Uitgewerkt voorbeeld

Calciumcitraat (examenstijl, vergelijk 2023-2 vraag 8)

Citroenzuur reageert met calciumhydroxide; het citraation is C₆H₅O₇³⁻.

  1. Ca²⁺ en C₆H₅O₇³⁻: en
  2. Formule: Ca₃(C₆H₅O₇)₂

Valkuilen

  • De haakjes vergeten bij een samengesteld ion (CaNO₃₂).
  • Een verhouding niet vereenvoudigen (Ca₂O₂ in plaats van CaO).

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt