Prioriteit: đź”´ Hoog

In 7 van de 8 onderzochte examenjaren, vaak meerdere vragen per tijdvak: een polymeerfragment tekenen (3p), netwerk of niet uitleggen, copolymeertype of hydrolyse (2–4p).

Wat moet je kunnen?

  • Een fragment uit het midden van een additie- of condensatiepolymeer tekenen uit gegeven monomeren.
  • Beslissen of er een lineair polymeer of een netwerkpolymeer ontstaat.
  • De hydrolyse van een condensatiepolymeer in een vergelijking weergeven.
  • Eigenschappen koppelen aan de bouw: crosslinks, random- of blokcopolymeer, thermoplast of thermoharder.

De kern

AdditiepolymerisatieCondensatiepolymerisatie
monomeerheeft een C=Cheeft twee reactieve groepen (OH, COOH, NHâ‚‚)
bijproductgeenklein molecuul, meestal Hâ‚‚O
binding in de ketenC–Cester –C(=O)–O– of amide –C(=O)–NH–
mechanismeradicaal: initiatie → propagatie → terminatiestapsgewijs
  • Ringopening: een ring (bijv. een epoxide) gaat open en koppelt zonder bijproduct.
  • Netwerk (crosslinks): ontstaat als een monomeer meer dan twee koppelplaatsen heeft: drie OH/COOH-groepen, of twee C=C-groepen. Meer crosslinks → stijver, kleinere poriĂ«n.
  • Copolymeer: twee soorten monomeren. Random: willekeurige volgorde. Blok: lange stukken van één soort.
  • Thermoplast: lineaire of vertakte ketens, smelt en is opnieuw vervormbaar. Thermoharder: netwerk, smelt niet.

Zo wordt het gevraagd

  • “Geef een gedeelte van een molecuul … in structuurformule weer. Dit gedeelte moet komen uit het midden van het molecuul en moet zijn ontstaan uit [n] moleculen A en [n] moleculen B” (2021-3, 2018-1).
  • “Leg uit of er een netwerkpolymeer kan ontstaan” (2026-1): tel de reactieve groepen.
  • “Leg uit of … een relatief hoog of een relatief laag percentage BIS moet worden gebruikt” (2026-2): meer crosslinker = kleinere poriĂ«n.
  • “Maak … de vergelijking van de volledige hydrolyse van [copolymeer] compleet … Gebruik structuurformules” (2024-1).
  • Random- of blokcopolymeer, thermoplast of thermoharder beargumenteren (2022-3, 2025-1).

Uitgewerkt voorbeeld

Fragment van een polyester (examenstijl, vergelijk 2021-3 vraag 1)

Teken een fragment uit het midden, ontstaan uit 2 moleculen ethaan-1,2-diol en 2 moleculen butaandizuur.

  1. Koppeling: OH van het diol + COOH van het zuur → ester + H₂O.
  2. Afwisselend zuur–diol–zuur–diol: C(=O)–CH₂–CH₂–C(=O)–O–CH₂–CH₂–O–C(=O)–CH₂–CH₂–C(=O)–O–CH₂–CH₂–O
  3. Uiteinden met ~, geen losse OH of COOH.

Controle: 4 monomeereenheden, 3 esterbindingen binnen het fragment, en aan beide uiteinden loopt de keten door (~). âś“

Netwerk of niet? (examenstijl, vergelijk 2026-1 vraag 11)

Citroenzuur heeft drie COOH-groepen en reageert met een diol.

  1. Het diol kan aan twee kanten koppelen: dat geeft een keten.
  2. Citroenzuur kan aan drie kanten koppelen: vanuit elk citroenzuur kan een extra keten vertrekken.
  3. Dus ontstaan dwarsverbindingen: een netwerkpolymeer is mogelijk.

Valkuilen

  • Bij additiepolymerisatie de dubbele binding in de keten laten staan.
  • Bij condensatie het afgesplitste water vergeten (in de vergelijking) of de estergroep verkeerd om tekenen.
  • Een fragment niet “uit het midden” tekenen (met eindgroepen).
  • Denken dat elk monomeer met twee groepen een netwerk geeft: daarvoor zijn meer dan twee koppelplaatsen nodig.
  • Bij hydrolyse de coĂ«fficiĂ«nt van water vergeten (één Hâ‚‚O per verbroken binding).

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt