Prioriteit: 🔴 Hoog
In 8 van de 8 onderzochte examenjaren, 3–6 bewijsvragen per tijdvak (in 2025-1 zes vragen, samen 21 scorepunten).
Wat moet je kunnen?
- Het verschil tussen bewijzen, aantonen, algebraïsch aantonen en onderzoeken toepassen.
- Een bewijs opschrijven waarin elke niet-triviale stap zichtbaar is.
- Vanuit het gegeven naar de bewering werken (niet andersom beginnen met wat je wilt bewijzen, tenzij elke stap omkeerbaar is).
De kern
| Werkwoord | Eisen |
|---|---|
| bewijs (dat) | redenering en/of exacte berekening; geen specifieke GR-opties |
| toon aan / laat zien dat | redenering, bepaling of berekening; GR mag, tenzij “algebraïsch”/“exact” |
| toon op algebraïsche wijze aan | geen GR-opties, benaderde tussenstappen mogen |
| onderzoek of | afsluiten met een conclusie (ja/nee) |
- Voorbeelden controleren is geen bewijs. Een tegenvoorbeeld is wel genoeg om een algemene bewering te weerleggen.
- Bij “bewijs dat … juist is” hoeft er geen aparte eindconclusie; de bewering staat al in de vraag.
- Correctieregel 3.3: een andere, vakinhoudelijk juiste aanpak krijgt punten naar analogie van het model.
Zo wordt het gevraagd
- “Bewijs dat de y-coördinaat van de buigpunten 125 is.” (2025-1 vraag 1).
- “Bewijs dat f en g elkaars inverse zijn.” (2025-1 vraag 8).
- “Toon op algebraïsche wijze aan dat AB = BC.” (2026-1 vraag 13).
- “Bewijs dat bovenstaande formule voor juist is.” (2026-1 vraag 16).
- “Onderzoek op exacte wijze of V en W gelijke oppervlakte hebben.” (2026-2 vraag 1).
Uitgewerkt voorbeeld
Bewijs over buigpunten (examenstijl, vergelijk 2025-1 vraag 1)
. Bewijs dat de -coördinaat van beide buigpunten 5 is.
- ,
- geeft , dus of (en wisselt daar van teken)
- en ✓
Inverse bewijzen (examenstijl, vergelijk 2025-1 vraag 8)
en . Bewijs dat ze elkaars inverse zijn.
- Beide samenstellingen geven , dus en zijn elkaars inverse. ✓
Valkuilen
- De bewering controleren met één waarde en dat “bewijs” noemen.
- Stappen overslaan (“dus volgt dat …”).
- Bij “onderzoek of” geen conclusie opschrijven.
- Bij “bewijs” de GR gebruiken voor een snijpunt of top.
Test jezelf
Je moet bewijzen dat een formule voor alle geldt. Je vult in en het klopt. Is dat genoeg?
Nee: je moet het algemeen (voor elke ) laten zien.
Bewering: "Voor alle geldt ." Hoe weerleg je dit?
Met een tegenvoorbeeld: geeft .
Examenvragen om te oefenen
Doe deze vragen uit echte examens
- 2025 tijdvak 1, vraag 1, 4, 6, 8 en 14: vijf bewijsvragen in één tijdvak (4p + 4p + 3p + 3p + 4p)
- 2026 tijdvak 1, vraag 14 en 16: goniometrische vergelijking en integraalformule bewijzen (6p + 6p)
- 2026 tijdvak 2, vraag 2 en 15: hoek van 90° en lengtes in een figuur bewijzen (4p + 4p)
Alle vindplaatsen
Aangetroffen in 8 van de 8 onderzochte examenjaren (2018–2026, 2020: geen examen gehouden): 2018, 2019, 2021, 2022, 2023, 2024, 2025, 2026 — 100%.
- 2026 tijdvak I
- Vraag 13 (3p): “Toon op algebraïsche wijze aan dat AB=BC.”
- Vraag 14 (6p): “Bewijs dat dit juist is.” (5cos²(x)−8cos(x)−3=0)
- Vraag 16 (6p): “Bewijs dat bovenstaande formule voor Lp juist is.”
- Frasering: “Toon … aan”, “Bewijs dat … juist is”. Komt 3× terug (samen 15 scorepunten) — minder dominant dan in 2025 tijdvak 1 (6 vragen), maar nog steeds een terugkerend vraagtype, dit keer telkens in de vorm “bewijs dat een gegeven bewering/formule klopt” in plaats van “bewijs een eigen constatering”.
- 2026 tijdvak II
- Vraag 1 (6p): “Onderzoek op exacte wijze of…” — onderzoeksvraag, geen scorepunten los voor het bewijstype maar wel de exacte-eis.
- Vraag 2 (4p): “Bewijs dit.” (dat de hoek van de knik 90° is) — kernonderdeel, volledige vraag.
- Vraag 15 (4p): “Bewijs dat inderdaad CE = DF = ½r₂.” — kernonderdeel, volledige vraag.
- Komt 3× voor, telkens met de eis van exacte/algebraïsche stappen zonder specifieke GR-opties.
- 2025 tijdvak I
- Vraag 1 (4p): “Bewijs dat de y-coördinaat van de buigpunten 125 is.”
- Vraag 4 (4p): “Bewijs dit.” (x² = −y⁴+2y³+2y−1)
- Vraag 6 (3p): “Bewijs dit.” (MS = √(9−6r))
- Vraag 8 (3p): “Bewijs dat f en g elkaars inverse zijn.”
- Vraag 11 (3p): “Laat … zien dat … amplitude 50 … evenwichtsstand 250.”
- Vraag 14 (4p): “Bewijs dat de coördinaten van P’ juist zijn.”
- Frasering: “Bewijs dat…”, “Bewijs dit.”, “Laat zien dat…”. Zeer frequent dit tijdvak: 6 van de 18 vragen zijn bewijsvragen (samen 21 scorepunten) — brede, terugkerende examenvaardigheid.
- 2025 tijdvak II
- Vraag 8 (4p): “Bewijs dit.” (AC=1 voor elke a)
- Vraag 9 (3p): “Bewijs dit.” (Opp(ACD) = ½L²−¼L⁴)
- Vraag 12 (6p): “Bewijs dit.” (coördinaten van M onafhankelijk van P)
- Vraag 13 (7p): “Bewijs deze eigenschap.”
- Vraag 14 (5p): “Bewijs dit.” (ytop-formule)
- Vraag 17 (3p): “Bewijs dit.” (vergelijkingen van de scheve asymptoten)
- Frasering: uitsluitend “Bewijs dit.” / “Bewijs deze eigenschap.” dit tijdvak (geen “aantonen”/“laat zien” gebruikt). Zeer dominant: 6 van de 18 vragen zijn bewijsvragen (samen 28 scorepunten).
- 2024 tijdvak I
- Vraag 1 (3p): “Bewijs dat de grafiek van f in A stijgt.”
- Vraag 4 (3p): “Bewijs dat y = … inderdaad een juiste primitieve is … voor elke waarde van a.”
- Vraag 13 (4p): “Bewijs dit.” (geen enkele waarde van a geeft een perforatie)
- Vraag 16 (3p): “Bewijs dat dit verband juist is.”
- Frasering: “Bewijs dat…”, “Bewijs dit.”. Komt 4× voor dit tijdvak (samen 13 scorepunten), brede terugkerende examenvaardigheid.
- 2024 tijdvak II
- Vraag 3 (2p): “Toon aan dat Y=40·L^0,7·(50−2,5L)
- Vraag 5 (4p): “Bewijs dat bij α+β=1 geldt: als zowel L als K met dezelfde factor g groeit, dan groeit ook de productie Y met diezelfde factor g.”
- Vraag 7 (4p): “Bewijs dat uit het feit dat de vector OP loodrecht staat op de snelheidsvector in punt P inderdaad volgt: sin(2t)=sin(2t+½π).”
- Vraag 10 (4p): “Bewijs dat voor elke positieve waarde van a punt S op de grafiek van f ligt.”
- Vraag 15 (5p): “Bewijs dat deze raaklijn voor elke waarde van a door de oorsprong gaat.”
- Frasering: “Toon aan dat…”, “Bewijs dat…”. Zeer frequent: 5 van de 17 vragen zijn bewijsvragen (samen 19 scorepunten) — dominante examenvaardigheid, net als in 2025 tijdvak 1.
- 2023 tijdvak I
- Vraag 2 (5p): “De oppervlakte van dit vlakdeel is onafhankelijk van de waarde van a. Bewijs dit.”
- Vraag 7 (3p): “Bewijs dat dit inderdaad de bewegingsvergelijkingen van Q zijn.”
- Vraag 9 (3p): “Er geldt: L = … Bewijs dit.”
- Vraag 13 (6p): “De raaklijnen … snijden elkaar loodrecht in het snijpunt. Bewijs dit.”
- Vraag 15 (5p): “De lijn door E en F is de bissectrice van hoek PED. Bewijs dit voor het geval p = 2.”
- Vraag 18 (3p): “Een primitieve van f is F(x) = x − ln(eˣ+1). Bewijs dit.”
- Vraag 19 (4p): “De oppervlakte van dit vlakdeel is voor elke waarde van a kleiner dan ln(2). Bewijs dit.”
- Frasering: uitsluitend “Bewijs dit” / “Bewijs dat…” dit tijdvak (geen “aantonen”/“laat zien”). Zeer frequent: 7 van de 19 vragen zijn bewijsvragen (samen 29 scorepunten) — de dominante examenvaardigheid dit tijdvak.
- 2023 tijdvak II
- Vraag 7 (4p): “Bewijs dat dit juist is door de vergelijking f(x) = g(x) exact op te lossen.” Volledige vraag is een bewijsvraag (4p).
- Komt 1× voor dit tijdvak, minder dominant dan in andere tijdvakken maar wel volledig kernonderdeel.
- 2022 tijdvak I
- Vraag 1 (3p): “Bewijs dit.” (fp, gp elkaars inverse)
- Vraag 6 (5p): “Bewijs dit.” (OR-formule)
- Vraag 7 (3p): “Bewijs dit met behulp van de formule voor OR.”
- Vraag 8 (8p): “Bewijs dat de grafieken van f en g elkaar in twee punten raken.”
- Vraag 9 (4p): “Bewijs dat er geen andere gemeenschappelijke punten van de grafiek van f met de x-as zijn.”
- Vraag 12 (3p): “Bewijs dit.” (formule 2 van het bewegingsmodel)
- Vraag 14 (4p): “Bewijs dat alle banen van de lavabommen raken aan de gestippelde kromme.”
- Vraag 15 (8p): “Bewijs dat P het midden is van lijnstuk QR.”
- Vraag 17 (4p): “Bewijs dat de y-coördinaat van dat punt P gelijk is aan 1.”
- Frasering: “Bewijs dit.”, “Bewijs dat…”. Zeer dominant dit tijdvak: 9 van de 17 vragen zijn bewijsvragen (samen 42 van de 76 scorepunten) — meer dan de helft van het examen bestaat uit bewijzen.
- 2022 tijdvak II
- Vraag 1 (4p): “Bewijs dit.” (f’(x) = 48x² − 24x, gegeven f(x)=2(2x−1)³+3(2x−1)²)
- Vraag 7 (4p): “Bewijs dat dit verband juist is.” (algebraïsch bewijs van formule 3 uit formules 1/2)
- Vraag 12 (5p): “Bewijs dit.” (x-coördinaat van snijpunt A met de x-as is onafhankelijk van t)
- Frasering: “Bewijs dit.” / “Bewijs dat…”. Komt 3× voor dit tijdvak (samen 13 scorepunten), telkens volledige bewijsvraag.
- 2022 tijdvak III
- Vraag 1 (3p): “Bewijs dit.” (F is primitieve van f)
- Vraag 4 (3p): “Bewijs dit.” (AS = (6/5, 3/5))
- Vraag 5 (3p): “Onderzoek of de vectoren BS en HD loodrecht op elkaar staan.”
- Vraag 6 (6p): “Onderzoek of de modeltube 80 cm³ shampoo kan bevatten.”
- Vraag 8 (4p): “Bewijs dit.” (a = 1¾)
- Vraag 14 (4p): “Bewijs dit.” (cos(a) = ¼p in het hoogste punt)
- Vraag 15 (4p): “Bewijs dit.” (hoogste punten liggen op grafiek van g)
- Vraag 16 (6p): “Bewijs dit.” (a + r = ½)
- Frasering: “Bewijs dit.”, “Onderzoek of…”. Zeer dominant dit tijdvak: 8 van de 17 vragen zijn bewijs-/onderzoeksvragen (samen 33 scorepunten) — de breedste, meest terugkerende examenvaardigheid.
- 2021 tijdvak I
- Vraag 4 (4p): “Bewijs dat voor x = ⅓π de grafieken van k en f elkaar inderdaad raken.”
- Vraag 8 (6p): “Bewijs dat voor elke waarde van p de hoek tussen de vectoren … gelijk is aan …”
- Vraag 11 (3p): “Bewijs dat de grafiek van f1 boven deze scheve asymptoot ligt.”
- Vraag 12 (5p): “Bewijs dat er een lijn is waarop al deze toppen liggen.”
- Frasering: “Bewijs dat…”. Komt 4× voor dit tijdvak (samen 18 scorepunten) — brede, terugkerende examenvaardigheid, iets minder frequent dan in 2025-tv1 (6×) maar nog steeds substantieel.
- 2021 tijdvak II
- Vraag 1-3 (3p elk): “Bewijs dit.” (drie keer, bij helling, raaklijnvergelijking, en lengte AB constant).
- Vraag 6 (4p): “Bewijs dat M het midden is van lijnstuk AB.”
- Vraag 8 (4p): “Bewijs dat deze formule voor T correct is.”
- Vraag 9 (4p): “Bewijs met behulp van differentiëren dat…”
- Vraag 11 (6p): “Bewijs dit.”
- Frasering: “Bewijs dit.”, “Bewijs dat…”. Zeer dominant: 7 van de 16 vragen zijn bewijsvragen (samen 27 scorepunten) — grootste vraagcategorie dit tijdvak.
- 2021 tijdvak III
- Vraag 2 (6p): “Bewijs dat inderdaad geldt: f’(x) = 6cos³(x) − 5cos(x).”
- Vraag 4 (3p): “Bewijs dat ½(sin(3x)+sin(x)) = sin(x)cos(2x).”
- Vraag 7 (5p): “Bewijs dit.” (formule voor dC/dT)
- Vraag 8 (5p): “Bewijs met behulp van formule 2 dat de grafiek van C inderdaad stijgend is…”
- Vraag 12 (3p): “Bewijs dit.” (richtingscoëfficiënt van l is steeds 2)
- Vraag 14 (3p): “Bewijs dat inderdaad geldt: f_inv(x) = 2 + ∛(x+1).”
- Frasering: “Bewijs dat…”, “Bewijs dit.”, “Bewijs met behulp van…”. Zeer frequent dit tijdvak: 6 van de 16 vragen zijn bewijsvragen (samen 25 scorepunten) — breed terugkerende examenvaardigheid, elk met een eigen soort onderliggend argument (differentiëren, goniometrie, stijgend-bewijs, meetkunde).
- 2019 tijdvak I
- Vraag 2 (5p): “Toon dit aan met behulp van de afgeleide van f.”
- Vraag 3 (5p): “Bewijs dit.” (lijn k raakt f_p voor elke p≥1)
- Vraag 4 (3p): “Bewijs dat inderdaad voor p≥1 geldt: het randpunt van de grafiek van f_p ligt op de grafiek van f_{p−1}.”
- Vraag 15 (7p): “Bewijs dit.” (V = h·A)
- Frasering: “Bewijs dit.”, “Toon dit aan…”. Komt 4× voor dit tijdvak (samen 20 scorepunten) — brede, terugkerende examenvaardigheid, net als in andere tijdvakken.
- 2019 tijdvak II
- Vraag 8 (4p): “Bewijs dat deze formule voor A(p) juist is.” (A(p) = 4cos(p))
- Vraag 10 (7p): “Bewijs dat B het midden is van lijnstuk AC.” Zwaarste bewijsvraag dit tijdvak (7 punten).
- Vraag 14 (3p): “Bewijs dat deze formule voor CD/CE juist is.”
- Frasering: “Bewijs dat … juist is.” Komt 3× voor (samen 14 scorepunten), telkens een gegeven formule/bewering algebraïsch verifiëren (niet een meetkundig bewijs met stellingen).
- 2018 tijdvak I
- Vraag 2 (4p): “Bewijs dit.” ((x+y)²=4y)
- Vraag 12 (3p): “Bewijs dat inderdaad geldt f_inv(x)=e
- Vraag 17 (4p): “Bewijs dit.” (vectorformule voor OF, met gebruik van de figuur op de uitwerkbijlage)
- Frasering: “Bewijs dit.”, “Bewijs dat…”. Komt 3× voor dit tijdvak (11 scorepunten samen) — herkenbare, terugkerende examenvaardigheid, breder dan alleen de differentiaal- en meetkunde-bewijzen (zie ook Bewijzen met differentiëren).
- 2018 tijdvak II
- Vraag 1 (3p): “Bewijs dat voor x ≠ 0 geldt: f(x) = h(x).” Algebraïsche herleiding (gelijknamig maken/rationaliseren).
- Vraag 2 (5p): “Bewijs dat de grafieken van f en g in hun perforatie P loodrecht op elkaar staan.”
- Vraag 6 (4p): “Bewijs dat voor elke toegestane waarde van x geldt: (f_a(x)+f_(1/a)(x))/2 = f_1(x).”
- Vraag 7 (7p): “Bewijs dat voor elke positieve waarde van a de verhouding xS/xT constant is.”
- Vraag 11 (8p): “Bewijs dat de oppervlakte van driehoek OAP anderhalf keer zo groot is als de oppervlakte van V.”
- Vraag 12 (3p): “Bewijs dat die lijn inderdaad verticaal is.”
- Vraag 14 (5p): “Bewijs dat voor t = ¾π geldt: [relatie tussen OPt en snelheidsvector v].”
- Vraag 15 (5p): “Bewijs dat F inderdaad het midden is van CS.”
- Vraag 16 (3p): “Bewijs dit.”
- Frasering: vrijwel altijd “Bewijs dat…” of kort “Bewijs dit.”; zeer dominant dit tijdvak — 9× voorkomend, samen 43 scorepunten (meer dan de helft van het examen).
Ondersteunende onderwerpen
- (geen)