Prioriteit: 🟢 Laag

SE-1 · weging 33⅓% · hoofdstuk 7 (voorkennis). Basisbegrippen die je in elk bewijs gebruikt; soms losse vragen als “Geef een tegenvoorbeeld” of “Is deze stelling omkeerbaar?”.

Wat moet je kunnen?

  • Het verschil tussen definitie, vermoeden en stelling uitleggen.
  • Een tegenvoorbeeld geven, en de omkering van een als-dan-stelling formuleren.
  • De standaardstellingen noemen als reden: F-hoeken, Z-hoeken, overstaande hoeken, hoekensom.

De kern

BegripBetekenis
definitieafspraak die een begrip vastlegt (bv. een ruit is een vierhoek met vier even lange zijden)
stellingeigenschap die je kunt bewijzen
vermoedeneigenschap die nog niet bewezen is; één tegenvoorbeeld is genoeg om het te weerleggen
omkering”als , dan ” wordt “als , dan “
omkeerbare stellingstelling waarvan de omkering ook waar is

Standaardstellingen uit de voorkennis: F- en Z-hoeken bij evenwijdige lijnen (en de omkering), overstaande hoeken, hoekensom driehoek , buitenhoek = som van de niet-aanliggende binnenhoeken, hoekensom vierhoek .

Valkuilen

  • Voorbeelden laten zien in plaats van een bewijs geven. Voorbeelden bewijzen niets; een tegenvoorbeeld weerlegt wel.
  • Bij de omkering alleen de woorden omdraaien en niet controleren of die waar is.

Test jezelf

Oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt