Prioriteit: 🔴 Hoog

In 5 van de 6 onderzochte examenjaren, als kennis- en redeneervraag over risico en rendement (1–2p).

Wat moet je kunnen?

  • De vermogenstitels onderscheiden naar rechten, rendement en risico.
  • Beleggingen op volgorde van risico zetten.
  • Uitleggen waarom spreiding het risico verlaagt.

De kern

TitelWat heb jeRendementRisico
spaarrekeningtegoed bij de bankvaste rentezeer laag (depositogarantiestelsel)
obligatielening aan een organisatievaste interest (coupon)laag tot middel
beleggingsfondsdeel van een gespreide portefeuilleafhankelijk van de inhoudmiddel (spreiding)
aandeeleigendom: stemrecht en dividendrechtdividend + koerswinsthoog (koers- en dividendrisico)
optierecht om te kopen of verkopenhefboomzeer hoog

Zo wordt het gevraagd

  • “Zet de letters a t/m d in de juiste volgorde van minst risicovol naar meest risicovol” (aandelen, callopties, beleggingsfonds, spaarrekening) (2025-1 vraag 18).
  • Het risico van beleggen in aandelen vergelijken met sparen (2026-1 vraag 16, 2p).
  • “Noem twee rechten die een aandeelhouder wel heeft en een optiehouder niet” (2021-1 vraag 24).
  • Twee redenen voor een lager rendement bij zelf beleggen vergeleken met een pensioenfonds (2023-2 vraag 1).

Uitgewerkt voorbeeld

Risicovolgorde (examenstijl, vergelijk 2025-1 vraag 18)

Van minst naar meest risicovol:

  1. Spaarrekening met depositogarantie (bedrag gegarandeerd)
  2. Beleggingsfonds (gespreid)
  3. Aandelen van één bedrijf (koersrisico, geen spreiding)
  4. Callopties (de hele inleg kan verloren gaan)

Valkuilen

  • Een obligatiehouder stemrecht geven (alleen aandeelhouders hebben dat).
  • Denken dat een beleggingsfonds geen risico heeft.
  • Dividend als vaststaand zien (het hangt af van de winst en het besluit van de aandeelhouders).

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt