Prioriteit: 🟠 Midden

In 4 van de 8 onderzochte examenjaren, als rendementsberekening (ook gewogen over een portefeuille) of als uitleg van het verband tussen rente en obligatiekoers.

Wat moet je kunnen?

  • Het rendement van een belegging en van een portefeuille (gewogen gemiddelde) berekenen.
  • Uitleggen waarom obligatiekoersen stijgen als de rente daalt.
  • De afweging tussen rendement en risico uitleggen, ook bij levenscyclusbeleggen.

De kern

BeleggingVerwacht rendementRisico
aandelenhooghoog (conjunctuurgevoelig)
obligatieslagerlager (renterisico)
spaarrekeninglaagzeer laag
  • Rente daalt → de vaste coupon van een bestaande obligatie wordt relatief aantrekkelijk → vraag ↑ → koers stijgt.
  • Portefeuillerendement = gewogen gemiddelde van de rendementen per categorie.
  • Levenscyclus: jong veel aandelen (lange horizon), ouder meer obligaties (minder risico vlak voor de uitkering).
  • De keuze hangt af van risicoaversie (zie Risico en risicoaversie).

Zo wordt het gevraagd

  • “Bereken het rendement van het Noorse staatsfonds in 2016” als gewogen gemiddelde (2022-3 vraag 7, 1p).
  • “Leg uit dat de koersen van staatsobligaties stijgen als gevolg van een dalende rente” (2022-1 vraag 22).
  • “Schrijf het vervolg van de uitspraak”: hogere aandelenweging maakt de portefeuille conjunctuurgevoeliger (2022-3 vraag 10, 3p).
  • “Toon met een berekening aan dat de verwachte koerswinst meer dan 10% zal zijn.” (2021-2 vraag 23).

Uitgewerkt voorbeeld

Portefeuillerendement (examenstijl, vergelijk 2022-3 vraag 7)

60% aandelen met 8% rendement, 30% obligaties met 2%, 10% vastgoed met 5%. 5,9%

Valkuilen

  • Het dividend vergeten in het rendement (alleen de koerswinst nemen).
  • Rendementen ongewogen middelen.
  • Denken dat obligatiekoersen meestijgen met de rente.

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt