Prioriteit: 🔴 Hoog
In 7 van de 8 onderzochte examenjaren, vaak via pensioenfondsen (dekkingsgraad, contante waarde) of hypotheken (rentevaste periode).
Wat moet je kunnen?
- Uitleggen waarom rentes verschillen: looptijd, risico, liquiditeit, inflatieverwachting.
- Rekenen met contante waarde en de dekkingsgraad van een pensioenfonds.
- Uitleggen hoe een rentestijging de contante waarde van toekomstige verplichtingen verlaagt.
De kern
| Hogere rente bij | Waarom |
|---|---|
| langere looptijd | langer uitstel, meer onzekerheid (inflatierisico) |
| hoger risico op wanbetaling | beloning voor risico |
| minder liquide belegging | je kunt er minder snel bij |
| hogere verwachte inflatie | compensatie voor koopkrachtverlies |
- Reële rente ≈ nominale rente − inflatie.
- Hogere rente → contante waarde van toekomstige pensioenverplichtingen daalt → dekkingsgraad stijgt.
- Rente is ook de prijs op de vermogensmarkt: meer sparen → lagere rente (zie Intertemporele ruil).
Zo wordt het gevraagd
- “Leg uit waarom het risico op inflatie leidt tot een positief verband tussen de rentevaste periode en de hypotheekrente” (2022-1 vraag 8).
- “Bereken de nieuwe dekkingsgraad. Leg uit of de betaalbaarheid van de pensioenen verbetert.” (2025-1 vraag 11, 3p).
- “Leg met behulp van figuur 1 uit dat deze hogere inflatie zorgt voor een stijgende dekkingsgraad” (2025-1 vraag 9).
Uitgewerkt voorbeeld
Dekkingsgraad en rente (examenstijl, vergelijk 2025-1 vraag 11)
Een pensioenfonds heeft €100 miljoen vermogen en moet over 10 jaar €110 miljoen uitkeren.
- Bij 2% rente: contante waarde miljoen → dekkingsgraad 111%
- Bij 3% rente: contante waarde miljoen → dekkingsgraad 122%
Conclusie: een hogere rente verbetert de dekkingsgraad.
Valkuilen
- Denken dat een hogere rente de verplichtingen van een pensioenfonds verhoogt (hun contante waarde daalt).
- Nominale en reële rente verwarren.
- Bij een lange rentevaste periode het risico bij de klant leggen (het ligt dan bij de bank).
Test jezelf
Waarom is de rente op een 10-jarige lening meestal hoger dan op een 1-jarige?
De geldgever loopt langer risico (onder andere op inflatie) en kan langer niet over zijn geld beschikken.
De nominale rente is 5% en de inflatie 3%. Hoe hoog is de reële rente ongeveer?
Ongeveer 2%.
Examenvragen om te oefenen
Doe deze vragen uit echte examens
- 2025 tijdvak 1, vraag 9 en 11: dekkingsgraad (2p + 3p)
- 2022 tijdvak 1, vraag 8: rentevaste periode (2p)
- 2018 tijdvak 2, vraag 12: rente en huizenkopen (2p)
Alle vindplaatsen
Aangetroffen in 7 van de 8 onderzochte examenjaren (2018–2026, 2020: geen examen gehouden) — 87,5%.
- 2026 tijdvak 2: vraag 12
- 2025 tijdvak 1: vraag 9, 11
- 2024 tijdvak 1: vraag 12
- 2022 tijdvak 1: vraag 8
- 2021 tijdvak 3: vraag 8
- 2021 tijdvak 1: vraag 14
- 2019 tijdvak 1: vraag 26
- 2018 tijdvak 2: vraag 12