Prioriteit: 🔴 Hoog
In 6 van de 8 onderzochte examenjaren, als rekenvraag (reële groei, inflatie of reële rente) of bij pensioenen (welvaartsvaste uitkeringen).
Wat moet je kunnen?
- Reële veranderingen berekenen uit nominale veranderingen en inflatie, en andersom.
- De reële rente berekenen.
- Uitleggen wat inflatie doet met koopkracht, schulden en pensioenen.
De kern
- Benadering voor kleine percentages: reëel ≈ nominaal − inflatie.
- Koopkracht = reëel inkomen: stijgt alleen als het nominale inkomen harder stijgt dan de prijzen.
- Inflatie maakt bestaande schulden reëel lichter (goed voor de schuldenaar) en spaartegoeden reëel minder waard.
- Welvaartsvast (meestijgen met de lonen) is meer dan waardevast (meestijgen met de prijzen).
- Geldillusie: nominale stijging aanzien voor reële vooruitgang.
Zo wordt het gevraagd
- “Bereken op basis van tabel 1 de inflatie in de periode begin 2021 tot eind 2022” (2026-1 vraag 27, 3p).
- “Bereken … de procentuele toename van de nominale waarde van de staatsschuld” (2024-2 vraag 9).
- “Leg uit dat de premie voor het aanvullend pensioen kan dalen als de inflatie stijgt.” (2025-1 vraag 8).
- “Leg uit met behulp van de aannames of de totale pensioenuitgaven zullen afnemen of toenemen als de uitkeringen welvaartsvast zijn.” (2025-2 vraag 8).
Uitgewerkt voorbeeld
Inflatie uit nominale en reële groei (examenstijl, vergelijk 2026-1 vraag 27)
Het nominale bbp groeit 8%, het reële bbp 3%. → inflatie 4,9% (niet 5%).
Reële rente
Nominale spaarrente 5%, inflatie 3%. Reële rente 1,9%.
Valkuilen
- Percentages aftrekken bij grote percentages (de benadering wordt dan onnauwkeurig; het examen vraagt meestal de precieze berekening).
- Nominaal en reëel verwisselen in de formule.
- Denken dat inflatie iedereen evenveel raakt (schuldenaars winnen, spaarders verliezen).
Test jezelf
Je loon stijgt 3% en de inflatie is 4%. Wat gebeurt er met je koopkracht?
: je koopkracht daalt met ongeveer 1%.
Waarom helpt onverwachte inflatie iemand met een hypotheek?
De schuld ligt nominaal vast, maar is door inflatie reëel minder waard, terwijl lonen meestal meestijgen.
Examenvragen om te oefenen
Doe deze vragen uit echte examens
- 2026 tijdvak 1, vraag 27: inflatie berekenen (3p)
- 2024 tijdvak 2, vraag 9: nominale staatsschuld (2p)
- 2025 tijdvak 2, vraag 8 en 10: welvaartsvaste pensioenen (2p + 2p)
- 2021 tijdvak 3, vraag 27: lage inflatie bij hoge nominale rente (2p)
Alle vindplaatsen
Aangetroffen in 6 van de 8 onderzochte examenjaren (2018–2026, 2020: geen examen gehouden) — 75%.
- 2026 tijdvak 2: vraag 2
- 2026 tijdvak 1: vraag 27
- 2025 tijdvak 2: vraag 8, 10
- 2025 tijdvak 1: vraag 8
- 2024 tijdvak 2: vraag 9
- 2023 tijdvak 2: vraag 19
- 2021 tijdvak 3: vraag 27
- 2021 tijdvak 1: vraag 13
- 2018 tijdvak 1: vraag 7(sec)