Prioriteit: 🔴 Hoog
In 8 van de 8 onderzochte examenjaren, vaak 5 tot 9 vragen per tijdvak, als meerkeuzevraag of verpakt in een beweringenvraag.
Wat moet je kunnen?
- Onderscheiden wat de tekst zegt en wat eruit volgt.
- Een conclusie kiezen die door de tekst gedekt wordt, zonder over te interpreteren.
- Bij beweringen per bewering beslissen of die (impliciet) in de tekst staat.
De kern
| Vraagformulering | Wat er gevraagd wordt |
|---|---|
| can be concluded from paragraph X | wat volgt er logisch uit? |
| is in line with paragraph X | wat past bij de inhoud, ook als het anders geformuleerd is? |
| is true of X, according to paragraph Y | wat klopt volgens de tekst? |
| what does the writer suggest / imply | wat bedoelt de schrijver zonder het te zeggen? |
| only 1 / only 2 / both / neither | twee stellingen elk apart toetsen |
Toets per optie: kun je een zin in de tekst aanwijzen die de optie onderbouwt? Nee: valt af, hoe logisch hij ook klinkt.
Typische afleiders
- Te ver: de tekst zegt may, de optie zegt will.
- Aannemelijk maar ongedekt: algemene kennis, niet uit de tekst.
- Verkeerde persoon: iets wat een ander zegt, toegeschreven aan de schrijver.
Zo wordt het gevraagd
- “Which of the following can be concluded from paragraphs 5 and 6?” (2022-1 vraag 9).
- “Which of the following is in line with paragraph 3?” (2022-2 vraag 9).
- “Which of the following is true about Stella McCartney, according to paragraph 3?” (2025-1 vraag 3).
- “What are ‘those male manicurists’ an example of, according to Michelle Goldberg?” (2026-1 vraag 9): voorbeeld koppelen aan het abstracte punt.
- Beweringenvraag over alinea 6 (2026-2 vraag 14).
Uitgewerkt voorbeeld
Wat kan worden geconcludeerd? (examenstijl, vergelijk 2022-1 vraag 9)
Eigen voorbeeld: The museum doubled its ticket price last spring. Visitor numbers have since fallen by a third, although the gift shop reports record sales. Which of the following can be concluded from this paragraph?
- A. The museum will lower its prices again. → te ver (voorspelling, staat er niet)
- B. Fewer visitors do not necessarily mean less spending per visitor. → gedekt: minder bezoekers, maar recordverkoop in de winkel
- C. The price increase was a mistake. → oordeel, niet in de tekst
- D. Most visitors come only for the gift shop. → niet gedekt
Antwoord: B.
Voorbeeld koppelen aan het punt (examenstijl, vergelijk 2026-1 vraag 9)
Vraag: “What are X an example of, according to the writer?”
- Zoek de zin waarin X genoemd wordt.
- Kijk naar de bewering vlak ervoor of erna: het voorbeeld illustreert die.
- Kies de optie die die bewering in algemene termen beschrijft.
Valkuilen
- Een optie kiezen omdat hij waar is in het echt, niet volgens de tekst.
- Modale nuance missen (might, could, likely tegenover will, always).
- Bij only 1 / only 2 / both / neither de stellingen niet elk apart toetsen.
Test jezelf
De tekst zegt: Some experts doubt the plan will work. Is de conclusie The plan will fail gedekt?
Nee: twijfel van sommige experts is geen zekerheid dat het mislukt.
Wat is de beste controle bij een "is in line with"-vraag?
Voor elke optie een zin in de tekst aanwijzen die hem onderbouwt.
Examenvragen om te oefenen
Doe deze vragen uit echte examens
- 2022 tijdvak 3, vraag 4–6: wat wordt duidelijk over Harold Bloom en schrijvers (1p per vraag)
- 2022 tijdvak 1, vraag 9: conclusie uit alinea 5 en 6 (1p)
- 2025 tijdvak 1, vraag 3–4: true about / said about (1p + 1p)
- 2021 tijdvak 2, vraag 19: only 1 / only 2 / both / neither (1p)
Alle vindplaatsen
Aangetroffen in 8 van de 8 onderzochte examenjaren (2018–2026, 2020: geen examen gehouden) — 100%. Naast Hoofdgedachte het dominantste concept van het vak; valt structureel samen met beweringenvragen (zie Vraagtype beweringenvraag) en met “can be concluded/is true/becomes clear (according to/judging from)“-MC-vragen.
- 2026 tijdvak 2 — 4/42: vraag 14, 25, 33, 41 (vraagstelling bevat letterlijk “impliciete”).
- 2026 tijdvak 1 — 5/43: vraag 7 (synthese van twee brondocumenten, nieuwe variant), 9, 23, 41, 42.
- 2025 tijdvak 2 — 6/41 (~15%): vraag 10, 11, 15, 17, 30, 39 — vier ervan tegelijk meerkeuze-invulvraag.
- 2025 tijdvak 1 — 5/42 (~12%): vraag 3, 4, 22, 27, 33 — typisch “can be concluded”/“is said about”.
- 2024 tijdvak 2 — 9 hits, sterkst vertegenwoordigde interpretatieconcept dit tijdvak: vraag 6, 11, 14, 27, 28, 31, 35, 38, 42 — combineert vaak met citeervragen.
- 2024 tijdvak 1 — 5 hits: vraag 4, 10, 11, 25, 31 — alle drie de beweringenvragen dit tijdvak tegelijk impliciete-informatievraag.
- 2023 tijdvak 2 — 7 hits, vergelijkbaar aandeel als Hoofdgedachte: vraag 1, 3, 22, 26, 27, 32, 39.
- 2023 tijdvak 1 — 3x: vraag 9, 31, 35 (+ grensgeval vraag 3).
- 2022 tijdvak 3 — 9/41 (~22%, grootste concept-hit dit tijdvak): vraag 4, 5, 6, 11, 14 (presuppositie), 18, 21, 31, 35.
- 2022 tijdvak 2 — 7/40 (17,5%, dominant concept dit tijdvak): vraag 9, 19, 20, 21, 30, 31, 36.
- 2022 tijdvak 1 — 7 hits: vraag 6, 9, 12, 19, 33, 34, 36.
- 2021 tijdvak 3 — 3/44: vraag 10, 20, 31 (“judging from”-constructie als expliciete inferentiemarker).
- 2021 tijdvak 2 — 8/42 (~19%, tweede-hoogste concept dit tijdvak): vraag 19, 20, 26, 29, 31, 32, 34, 39 — “only 1/only 2/both/neither”-format als terugkerende hybride variant.
- 2021 tijdvak 1 — 5/42 (~12%): vraag 23, 27, 29, 32, 36 — vaak “is true according to”/“is in line with” i.p.v. “can be concluded”.
- 2019 tijdvak 2 — 6/41: vraag 7, 14, 15, 28, 30, 33, 34 (2 directe MC + 4 beweringenvragen).
- 2019 tijdvak 1 — 4 hits: vraag 12, 15, 23, 35.
- 2018 tijdvak 2 — 7 hits (2 sterk, 5 randgeval): vraag 7, 11, 15, 19, 30, 34, 36.
- 2018 tijdvak 1 — 6 hits (kern): vraag 8, 10, 16, 19, 35, 36.
- Terugkerende frasevarianten naast “can be concluded (about X) from paragraph Y”: “is true/is said about … according to/judging from paragraph X”, “is in line with paragraph X”, “what does the writer suggest/imply/deduce”, en het hybride “only 1/only 2/both/neither is true”-format (2019-1 v15, 2019-2 v13, 2021-2 v19/31, 2022-3 v11).