Prioriteit: đź”´ Hoog
In 3 van de 3 onderzochte examenjaren, vaak als tekststructuurvraag (“bij welke alinea begint deel 3?”, 1p per deel) of als functie van een alinea (1p), en ondersteunend bij bijna alle andere vraagtypen.
Wat moet je kunnen?
- Aangeven bij welke alinea een gegeven tekstdeel begint.
- De functie van een alinea of de relatie tussen twee tekstdelen benoemen.
- Een impliciete relatie (zonder signaalwoord) afleiden, bijvoorbeeld oorzaken uit een tekstgedeelte.
De kern
| Relatie | Signaalwoorden | Herken je aan |
|---|---|---|
| oorzaak-gevolg | doordat, daardoor, want, dus | deel A verklaart waarom B gebeurt |
| doel-middel | om te, zodat, daarvoor | deel A is een manier om B te bereiken |
| standpunt-argument | want, omdat, immers | deel A onderbouwt B |
| algemeen-toelichting | bijvoorbeeld, zo, neem nou | deel A werkt een algemene zin uit B uit |
| tegenstelling | maar, toch, echter, daarentegen | deel A gaat in tegen B |
| opsomming | ten eerste, ook, bovendien | deel A voegt iets toe aan B |
| verwijzing | dit, deze, zo’n, daarom | een woord verwijst naar een eerder deel |
Functies van alinea’s: inleiding (probleem, vraag, aanleiding), uitwerking, voorbeeld, tegenwerping en weerlegging, oplossing, conclusie, samenvatting.
Relaties tussen teksten (2026-1): een aanvullende oplossing voorstellen, tegenargumenten ontkrachten, een ander standpunt innemen, het gezag van een autoriteit betwijfelen, een historische achtergrond geven.
Zo wordt het gevraagd
- “Bij welke alinea begint deel 3? Bij welke alinea begint deel 4?” met een vooraf gegeven indeling (2024-1, 2024-2, 2025-2): 1p per deel.
- “Welke bewering geeft de functie van alinea 8 en 9 samen het best weer?” (2025-1).
- “Alinea 6 is te beschouwen als een uitwerking van één zin uit alinea 5. Citeer deze zin.” (2024-1).
- Matching: per reactie aangeven welke relatie die heeft met de gedachtegang van tekst 7 (2026-1 vraag 35, 3p).
- Impliciet: “Uit alinea 3 tot en met 5 kun je twee algemene oorzaken afleiden …” (2026-2).
Uitgewerkt voorbeeld
Waar begint deel 3? (examenstijl, vergelijk 2024-2 vraag 1)
Gegeven indeling: deel 1 probleem, deel 2 oorzaken, deel 3 mogelijke oplossingen, deel 4 conclusie.
- Lees de eerste zin van elke alinea vanaf het midden van de tekst.
- Zoek de alinea waar de tekst omslaat van “waarom gebeurt dit” naar “wat kunnen we eraan doen” (signaalwoorden: daarom zou, een oplossing is).
- Check dat de alinea ervóór nog over oorzaken gaat en de alinea erna over een oplossing.
- Antwoord: die omslagalinea. De vorige alinea hoort nog bij deel 2. âś“
Functie van een alinea (examenstijl, vergelijk 2025-1 vraag 30)
Alinea 7 zegt: “Critici wijzen erop dat de proef maar zes weken duurde.” Alinea 8 begint: “Toch laten latere studies hetzelfde zien.”
- Alinea 7: tegenwerping (een tegenargument).
- Alinea 8: weerlegging van die tegenwerping (signaalwoord toch).
- Samen: een mogelijk tegenargument noemen en ontkrachten.
Valkuilen
- Een deel laten beginnen bij de eerste alinea waar een woord uit de indeling voorkomt, in plaats van waar de functie verandert.
- Op signaalwoorden vertrouwen die iets anders doen dan ze lijken (“dus” als samenvatting in plaats van gevolg).
- Voorbeeld en argument verwarren: een voorbeeld licht toe, een argument onderbouwt.
Test jezelf
"Veel jongeren slapen te weinig. Zo gaat een derde na middernacht naar bed." Welke relatie?
Algemeen-toelichting (de tweede zin geeft een voorbeeld/uitwerking; signaalwoord zo).
"De gemeente plaatst extra prullenbakken om zwerfafval te verminderen." Welke relatie?
Doel-middel (prullenbakken = middel, minder zwerfafval = doel).
Examenvragen om te oefenen
Doe deze vragen uit echte examens
- 2024 tijdvak 2, vraag 1: waar beginnen deel 3 en deel 5 (2 Ă— 1p)
- 2026 tijdvak 1, vraag 35: relaties tussen reacties en tekst 7 koppelen (3p)
- 2024 tijdvak 1, vraag 25: de zin citeren die in alinea 6 wordt uitgewerkt
- 2025 tijdvak 1, vraag 30: functie van alinea 8 en 9 (1p)
- 2026 tijdvak 2, vraag 2: twee oorzaken afleiden uit alinea 3–5 (2p)
Alle vindplaatsen
- 2024 tijdvak I: vraag 1, 3, 6, 8, 18, 23, 25, 26 (structuurvragen, veelal ondersteunend aan andere vraagtypen).
- 2024 tijdvak II: vraag 1 (structuurindeling), 3/7/12 (oorzaak-gevolg tussen alinea’s), 14.
- 2025 tijdvak I: vraag 22 (impliciete relatie), vraag 30 (“functie van alinea 8 en 9”).
- 2025 tijdvak II: vraag 1 (alinea-indeling), vraag 2 (oorzaak-gevolg).
- 2026 tijdvak 1: vraag 30, 31 (doel-middel), vraag 35 (matchingtaak met 7 mogelijke relatietypen — zwaarste voorbeeld, 3p).
- 2026 tijdvak 2: vraag 2, 26 (beide oorzaak-gevolg, als selectietaak uit een lijst).
- Aanwezig in 3 van de 3 onderzochte examenjaren. Vaak een ondersteunende in plaats van zelfstandig scorende vaardigheid — nodig om andere vraagtypen (vooral bronnenvergelijking en sorteer/synthese) op te lossen.
Ondersteunende onderwerpen
- (geen)