Prioriteit: 🟢 Laag

SE-2 · weging 33⅓% · hoofdstuk 14. Let op: de studieplanner zegt dat §14.1–14.2 niet bij SE-2 horen; op jouw aanwijzing toch meegenomen. Toetsvorm: “Bereken voor elk paar variabelen de pmcc. Welk paar vertoont de sterkste correlatie?” (diagnostische toets 3).

Wat moet je kunnen?

  • De covariantie berekenen met een tabel, en uitleggen waarom het teken de richting van de samenhang geeft.
  • De pmcc berekenen met de GR en met de formule.
  • Bij een spreidingsdiagram schatten.
  • Weten wat er met gebeurt bij verschuiven, vermenigvuldigen of verwisselen van en .
  • Een misleidende pmcc herkennen (niet-lineair, uitschieters, heterogeniteit, selectie, causaliteit).

De kern

Covariantie Punten in kwadrant I en III (ten opzichte van het zwaartepunt) geven een positieve bijdrage, punten in II en IV een negatieve. Merk op: .

De covariantie is afhankelijk van de eenheden (meters of centimeters), en dus geen goede correlatiemaat.

Productmoment-correlatiecoëfficiënt (pmcc)

  • of : alle punten liggen op een rechte lijn (volkomen correlatie).
  • : geen (lineaire) correlatie.
  • Op de GR: LinReg geeft (TI: eerst DiagnosticOn aanzetten).
veranderingeffect op
en verwisselengeen
constante optellen bij alle geen
alle met een positief getal vermenigvuldigengeen
(exact dalend lineair)

Interpretatie. De pmcc geeft alleen informatie over lineaire samenhang. Hij is gevoelig voor uitschieters, kan misleiden bij heterogene groepen of selectie, en zegt niets over oorzaak en gevolg (causaliteit).

Zo wordt het gevraagd

  • “Bereken voor elk paar variabelen de pmcc. Welk paar vertoont de sterkste correlatie?” (diagnostische toets 3).
  • “Geef bij elk van deze diagrammen de waarde van r. Kies uit −1; −0,9; −0,4; 0; 0,4; 0,9 en 1.” (opgave 14, 15, 17).
  • “Neem aan dat elke Y-waarde van tabel II met 2 verminderd wordt. Verandert r?” (opgave 19).

Uitgewerkt voorbeeld

Covariantie en pmcc (vergelijk H14 Theorie D blz. 63–64)

Vijf leerlingen: = toets wiskunde B, = toets natuurkunde: (4,2; 2,5), (8,3; 6,0), (2,7; 1,5), (9,4; 8,0), (5,4; 7,0).

  1. en .
  2. De producten zijn ; ; ; en . Som: .
  3. . Positief, dus positieve correlatie. Alleen leerling E (kwadrant II) draagt negatief bij.
  4. Met de GR: .

Controle met numpy: en ✓

Sterkste correlatie (vergelijk H14 diagnostische toets 3)

Voor drie variabelen , en geeft de GR: bij en is , bij en is , bij en is . Dus en vertonen de sterkste correlatie (grootste ).

Valkuilen

  • Bij de sterkste correlatie naar kijken in plaats van naar : is sterker dan .
  • Denken dat “geen samenhang” betekent. Er kan een sterk niet-lineair verband zijn.
  • Correlatie verwarren met oorzaak en gevolg.
  • De covariantie gebruiken om sterkte te vergelijken. Die hangt af van de eenheden.

Test jezelf

Oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt