Prioriteit: 🔴 Hoog
In 3 van de 3 onderzochte examenjaren, en het zwaarste vraagtype: per tijdvak 7–14 vragen, samen circa 10 tot ruim 20 punten. Vaak in tabelvorm met een staffel (“indien vier elementen juist 3p”).
Wat moet je kunnen?
- Per bron standpunt en hoofdargumenten vastleggen, en daarmee overeenkomsten en verschillen benoemen.
- Een verschil formuleren met beide kanten (“bron 1 vindt X, bron 2 juist Y”).
- In een tabel per uitspraak aangeven in welke bron(nen) die voorkomt.
- Een argument uit de ene bron ontkrachten met een andere bron.
De kern
Voorbereiding: maak per bron een mini-tabel: bron | standpunt | argumenten | bijzonderheden.
| Vraagvorm | Wat moet je doen? |
|---|---|
| ”Typeer het verschil tussen bron X en Y” | beide kanten noemen, over hetzelfde aspect |
| ”In bron 1 en 2 wordt een vrijwel identieke reden gegeven … vat samen” | de gemeenschappelijke kern, algemeen |
| ”Wordt dit argument ook in een andere bron gebruikt?“ | elke bron checken; “in geen andere bron” kan juist zijn |
| tabel: tekst 1 / tekst 2 / allebei / geen van beide | per uitspraak zoeken, niet gokken |
| ”Citeer de zin uit bron 5 … én de zin uit bron 6 waarmee dit kan worden ontkracht” | twee citaten die over hetzelfde gaan |
Scoring: tabellen gaan met een staffel, dus vul altijd alles in: gedeeltelijk goed levert punten op.
Zo wordt het gevraagd
- “Komt de hoofdgedachte van tekstfragment 1 wel of niet overeen met de hoofdgedachte van tekst 1? Leg je antwoord uit.” (2025-2 vraag 18).
- Per bron één argument vóór en één tegen, in een tabel (2025-2 vraag 32, 5p, de zwaarste vraag van dat examen).
- “Uit tekst 4 en tekst 5 zijn duidelijk verschillende antwoorden af te leiden op de vraag …” met zinsaanvulling (2026-2 vraag 28).
- Zes uitspraken: tekst 1, tekst 2, allebei of geen van beide (2026-2 vraag 9, 4p).
- Acht uitspraken: wel of niet besproken in bron 1 t/m 4 (2026-1 vraag 17–18, 3p + 3p).
Uitgewerkt voorbeeld
Verschil formuleren (examenstijl, vergelijk 2025-1 vraag 10)
Bron 1: “Boosheid is nuttig, zolang je haar gebruikt om onrecht aan te kaarten.” Bron 2: “Boosheid is altijd schadelijk, ook als de aanleiding terecht is.”
- Aspect: is boosheid ooit nuttig?
- Bron 1: ja, als ze tegen onrecht gericht is.
- Bron 2: nee, ook dan niet. Antwoord: “Volgens bron 1 kan boosheid nuttig zijn als die gericht is tegen onrecht, terwijl bron 2 boosheid altijd schadelijk vindt.” ✓ beide kanten, hetzelfde aspect
Tabel "welke tekst?" (examenstijl, vergelijk 2026-2 vraag 9)
Uitspraak: “Straattaal ontstaat vooral in multiculturele wijken.”
- Zoek in tekst 1: staat het er (in andere woorden)? Ja, alinea 3.
- Zoek in tekst 2: nee, tekst 2 noemt alleen sociale media als bron.
- Antwoord: alleen tekst 1. Herhaal voor elke uitspraak; controleer aan het eind of je niet overal “allebei” hebt gezet.
Valkuilen
- Maar één kant van een verschil noemen: kost vaak de helft van de punten.
- Vergelijken op verschillende aspecten (“bron 1 vindt het nuttig, bron 2 noemt een onderzoek”).
- Een overeenkomst die te algemeen is (“beide gaan over boosheid”).
- Te snel “allebei” invullen: controleer elke bron apart.
Test jezelf
Bron A: "Een suikertaks werkt." Bron B: "Een suikertaks werkt alleen samen met voorlichting." Is dit een verschil of een overeenkomst?
Allebei: overeenkomst (een suikertaks kan helpen), verschil in voorwaarde (B stelt voorlichting als eis).
Waarom moet je bij een koppeltabel altijd alle vakjes invullen?
De score gaat met een staffel: gedeeltelijk goed levert al punten op.
Examenvragen om te oefenen
Doe deze vragen uit echte examens
- 2025 tijdvak 2, vraag 32: per bron argument vóór en tegen in een tabel (5p)
- 2026 tijdvak 2, vraag 9: zes uitspraken, tekst 1/2/allebei/geen (4p)
- 2026 tijdvak 1, vraag 17–18: acht uitspraken wel/niet in bron 1–4 (3p + 3p)
- 2025 tijdvak 1, vraag 10: verschil tussen bron 1 en 2 in een invulschema (3p)
- 2025 tijdvak 2, vraag 34: argument uit bron 5 ontkrachten met bron 6 (1p)
Alle vindplaatsen
Aangetroffen in 3 van de 3 onderzochte examenjaren (2024–2026) — 100%. In elk tijdvak het of een van de zwaarste vraagtypen.
- 2024 tijdvak I: vraag 11, 13–19 (reacties op tekst 1), 32, 35–38 (bronnen over De engelenmaker), circa 20 van 65 punten.
- 2024 tijdvak II: vraag 18, 19, 26 (koppeltabel met citaatparen), 27, 30, circa 10 punten.
- 2025 tijdvak I: vraag 9, 10, 11, 14, 15, 17, 18, 25, 26, 29, 35, 36, circa 23 punten.
- 2025 tijdvak II: vraag 18, 19, 28, 32 (5p, zwaarste vraag van het examen: per bron een argument vóór en tegen), 34, 35, 36, 37.
- 2026 tijdvak 1: vraag 8, 9, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 18, circa 19 punten in Deel 1.
- 2026 tijdvak 2: vraag 8, 9 (4p tabel), 10, 11, 28, 29, 32–39. Deel 3 is volledig opgebouwd rond vijf teksten over haat.
Oorspronkelijke vindplaatsen (oude notitie)
- 2024 tijdvak I: 13 van de 38 vragen — zwaarste concept van dat tijdvak.
- 2024 tijdvak II: 5 vragen (~10p).
- 2025 tijdvak I: 12 van de 37 vragen (~23p).
- 2025 tijdvak II: 7 vragen, incl. de zwaarste vraag van dat examen (vraag 32, 5p).
- 2026 tijdvak 1: 9 van de 18 vragen in Deel 1 (~19p).
- 2026 tijdvak 2: 14 van de 39 vragen (~20p) — dominant vraagtype van dat tijdvak.
- Aanwezig in 3 van de 3 onderzochte examenjaren, in elk tijdvak een van de meest voorkomende vraagtypen. Vaste formats: tabelvorm-koppeling van tegenover elkaar staande argumenten/standpunten, wel/niet-tabellen over meerdere bronnen, en citaatparen.
Ondersteunende onderwerpen
- Standpunten en argumenten herkennen
- Relaties tussen tekstdelen aangeven
- Hoofdgedachte van een tekst bepalen