Prioriteit: 🔴 Hoog
In 3 van de 3 onderzochte examenjaren, sterk wisselend per tijdvak (2–12p). Veel citeeropdrachten met een woordlimiet per citaat, en metaforen uitleggen.
Wat moet je kunnen?
- Een metafoor of vergelijking uitleggen: beeld, bedoelde werkelijkheid en gedeeld kenmerk.
- Citeren binnen de woordlimiet: exact, aaneengesloten, verschillende woorden.
- Toon herkennen (ironisch, spottend, humoristisch, karikaturaal), ook waar die juist ontbreekt.
- Framing en retorische openingstechnieken benoemen.
De kern
| Begrip | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| metafoor | iets benoemen met een beeld | ”de school is een snelkookpan” |
| vergelijking | beeld met als/zoals | ”werken als een robot” |
| framing | onderwerp in een bepaald (positief/negatief) kader zetten | ”belastingverlichting” tegenover “belastingcadeau” |
| ironie | het tegenovergestelde zeggen van wat je bedoelt | ”Wat een geweldig idee.” |
| karikatuur | kenmerken sterk overdreven | ”de eeuwig klagende boomer” |
Metafoor uitleggen: beeld → wat het betekent → het gedeelde kenmerk. “Snelkookpan” = school; gedeeld kenmerk: hoge druk, alles moet snel.
Citeerregels (streng, zie aanvulling 2026-2 vraag 23): citaten langer dan de limiet of niet aaneengesloten zijn fout. Bij verkort citeren (met …) telt het aantal woorden in de tekst.
Aandacht trekken (openingen): schokkend gegeven, persoonlijke ervaring, anekdote, prikkelende vraag, citaat.
Zo wordt het gevraagd
- “De titel van tekst 1 … is een metafoor. Leg beide delen van deze metafoor uit.” (2025-2 vraag 16).
- “Citeer per onderdeel een zinsgedeelte uit alinea 7 van maximaal 10 woorden dat de beeldspraak uitlegt” (2026-2 vraag 23, 3p).
- “Citeer drie verschillende woordgroepen uit alinea 1 waaruit het karikaturale karakter blijkt” (2024-2 vraag 31).
- Spiegelvraag: “In welke drie citaten is geen sprake van een spottende houding?” (2025-2 vraag 23).
- “Welke manier is in alinea 1 en 2 vooral gebruikt om de aandacht te trekken?” (2025-1 vraag 27).
Uitgewerkt voorbeeld
Metafoor uitleggen (examenstijl, vergelijk 2025-2 vraag 24)
Citaat: “Wie kunst wil begrijpen, verdwaalt al snel in het doolhof van de goede smaak.”
- Beeld: een doolhof, waar je de weg kwijtraakt en geen duidelijke uitgang is.
- Werkelijkheid: de regels en opvattingen over wat “goede smaak” is.
- Gedeeld kenmerk: ingewikkeld en onoverzichtelijk; je weet niet goed welke kant je op moet. Antwoord: “De opvattingen over goede smaak zijn zo ingewikkeld en tegenstrijdig dat je er gemakkelijk in de war van raakt.”
Citeren met een limiet (examenstijl, vergelijk 2026-2 vraag 7)
Opdracht: citeer drie afzonderlijke, verschillende woorden die elk laten zien dat straattaal snel verandert.
- Zoek woorden met die betekenis: vluchtig, kortstondig, vergankelijk.
- Geen varianten van hetzelfde woord, geen woordgroepen als losse woorden gevraagd zijn.
- Neem ze exact over zoals ze in de tekst staan.
Valkuilen
- Alleen het beeld beschrijven, niet wat ermee bedoeld wordt.
- Citaten die te lang zijn of uit twee zinnen aan elkaar geplakt.
- Parafraseren waar citeren gevraagd wordt (of andersom).
- Ironie letterlijk nemen.
Test jezelf
"Het klaslokaal is een aquarium: iedereen kijkt naar binnen, niemand kan eruit." Leg de metafoor uit.
Klaslokaal = aquarium. Gedeeld kenmerk: leerlingen zijn altijd zichtbaar/bekeken en kunnen niet weg.
Een citaat van 11 woorden bij een limiet van 10. Hoe wordt dat beoordeeld?
Fout: te lange citaten worden niet goedgerekend.
Examenvragen om te oefenen
Doe deze vragen uit echte examens
- 2026 tijdvak 2, vraag 20 en 23: beeldspraak “spiegelpaleis”, citeren met max. 10 woorden (2p + 3p)
- 2025 tijdvak 2, vraag 16 en 24: metafoor in de titel, beeldspraak in haar geheel (2p + 2p)
- 2025 tijdvak 2, vraag 23: waar de spottende houding juist ontbreekt (2p)
- 2024 tijdvak 2, vraag 31: drie woordgroepen die het karikaturale karakter tonen (2p)
- 2026 tijdvak 1, vraag 24: twee woordgroepen met figuurlijk taalgebruik (2p)
Alle vindplaatsen
Aangetroffen in 3 van de 3 onderzochte examenjaren (2024–2026) — 100%. Het gewicht wisselt sterk per tijdvak (2 tot 12 punten) en hangt af van hoe beeldend de teksten zijn.
- 2024 tijdvak I: vraag 5 (voedselmetafoor), 6 (citeeropdracht, 3p), 9 (effect van woordkeuze, MC), 6 punten.
- 2024 tijdvak II: vraag 31 (karikaturale toon, 2p).
- 2025 tijdvak I: vraag 14 (vuurmetafoor), 27 (openingstechniek, MC), 3 punten.
- 2025 tijdvak II: vraag 7, 14, 16 (titelmetafoor), 22, 23 (spiegelvraag: waar is géén spot), 24 (“doolhof van de goede smaak”).
- 2026 tijdvak 1: vraag 5 (citeren, max. 7 woorden), 21 (metafoor “mausoleum van kille regels”), 24, 5 punten.
- 2026 tijdvak 2: vraag 4, 7, 13 (humor), 20, 22, 23 (citeren met max. 10 woorden per citaat), 12 punten.
Oorspronkelijke vindplaatsen (oude notitie)
- 2024 tijdvak I: vraag 5, 6, 9 (voedselmetaforiek, 6p).
- 2024 tijdvak II: vraag 31 (2p, citeeropdracht).
- 2025 tijdvak I: vraag 14, 27 (laag gewicht dat tijdvak).
- 2025 tijdvak II: 6 vragen (7, 14, 16, 22, 23, 24), sterk aanwezig door de ironische toon van Tekst 2.
- 2026 tijdvak 1: vraag 5, 21, 24, geconcentreerd in Deel 2.
- 2026 tijdvak 2: 6 vragen (4, 7, 13, 20, 22, 23), zwaar (12p), vrijwel volledig in het literaire fragment van Deel 2.
- Aanwezig in 3 van de 3 onderzochte examenjaren. Citeeropdrachten met een woordlimiet per citaat zijn het vaste format; let op strikte correctieregels (2026-2: citaten langer dan de limiet of niet-aaneensluitend worden fout gerekend).
Ondersteunende onderwerpen
- Conclusies trekken over intenties en opvattingen van de auteur
- Schrijfdoel van een tekst vaststellen