Prioriteit: 🔴 Hoog
In 6 van de 8 onderzochte examenjaren, bijna altijd als tussenstap in een grotere berekening: g L⁻¹ ↔ mol L⁻¹, of mol uit concentratie × volume.
Wat moet je kunnen?
- Omrekenen tussen massaconcentratie (g L⁻¹, mg L⁻¹) en molariteit (mol L⁻¹).
- De chemische hoeveelheid berekenen uit concentratie en volume.
- De molariteit van een handelsoplossing berekenen uit massapercentage en dichtheid.
- Rekenen aan verdunnen.
De kern
| Notatie | Betekenis |
|---|---|
| of | concentratie van X in mol L⁻¹ |
| 0,50 M | 0,50 mol L⁻¹ (“molair”) |
| g L⁻¹ of mg L⁻¹ | massaconcentratie: deel door voor mol L⁻¹ |
- is het volume van de oplossing, niet van het oplosmiddel, in liter (1 mL = 10⁻³ L).
- Bij verdunnen blijft het aantal mol gelijk; alleen het volume verandert.
- Handelsoplossing: neem 1,00 L → massa = → massa opgeloste stof = massapercentage × massa → mol.
Zo wordt het gevraagd
- Omrekenen van massaconcentratie (mg L⁻¹) naar molariteit (mol L⁻¹) (2023-2 vraag 1).
- Van g/L naar mol/L (2025-2 vraag 3 en 26), of van µmol per kg lichaamsgewicht naar g per L urine (2025-2 vraag 20).
- Gegeven M en 10 mL: eerst het aantal mol berekenen (2024-2 vraag 9).
- Concentraties als “4·10⁻⁶ M” gebruiken voor een verhouding of percentage (2023-1 vraag 9).
Uitgewerkt voorbeeld
mg L⁻¹ naar mol L⁻¹ (examenstijl, vergelijk 2023-2 vraag 1)
Drinkwater bevat 50 mg L⁻¹ nitraat (NO₃⁻, = 62,00 g mol⁻¹). Bereken de molariteit.
- g
- 8,1·10⁻⁴ mol L⁻¹
Molariteit van een handelsoplossing
Geconcentreerd zoutzuur: 37 massa-% HCl, g mL⁻¹ ( HCl = 36,46).
- Neem 1,00 L: massa g
- Massa HCl: g
- mol, dus 12 mol L⁻¹
Controle: geconcentreerd zoutzuur is ongeveer 12 M. ✓
Valkuilen
- Rekenen met mL in plaats van L.
- Met het volume van het oplosmiddel rekenen in plaats van de oplossing.
- mg en g door elkaar halen (factor 1000).
- Bij een handelsoplossing de dichtheid vergeten en 1 L = 1000 g nemen.
- Bij verdunnen denken dat het aantal mol verandert.
Test jezelf
Je verdunt 10,0 mL 0,50 M tot 250 mL. Wat is de nieuwe concentratie?
0,020 M
Hoeveel mol zit er in 10 mL van een 0,50 M oplossing?
5,0·10⁻³ mol
Hoeveel mol opgeloste stof zit in 2,0 L van een 4·10⁻⁶ M oplossing?
8·10⁻⁶ mol
Examenvragen om te oefenen
Doe deze vragen uit echte examens
- 2025 tijdvak 2, vraag 3 en 20: g L⁻¹ naar mol L⁻¹, µmol per kg naar g per L urine (4p + 3p)
- 2023 tijdvak 2, vraag 1: mg L⁻¹ naar mol L⁻¹ (2p)
- 2023 tijdvak 1, vraag 9: rekenen met een concentratie van 4·10⁻⁶ M (2p)
- 2022 tijdvak 2, vraag 10: ppm naar mol L⁻¹ als tussenstap voor een reactiesnelheid
- 2018 tijdvak 1, vraag 24: benodigd volume oplossing uit mol en concentratie (3p)
Alle vindplaatsen
Aangetroffen in 6 van de 8 onderzochte examenjaren (2018–2026, 2020: geen examen gehouden) — 75%.
- 2025 tijdvak 2: vraag 3, 20, 26
- 2024 tijdvak 2: vraag 9
- 2023 tijdvak 2: vraag 1
- 2023 tijdvak 1: vraag 9
- 2022 tijdvak 3: vraag 23
- 2022 tijdvak 2: vraag 10
- 2021 tijdvak 2: vraag 19, 25, 26
- 2018 tijdvak 1: vraag 24