Prioriteit: šŸ”“ Hoog

In 7 van de 8 onderzochte examenjaren, als ā€œleg uit met het botsende-deeltjesmodelā€ (2–3p) of als berekening van een gemiddelde reactiesnelheid (3–4p).

Wat moet je kunnen?

  • Met het botsende-deeltjesmodel uitleggen waarom een factor de snelheid verandert, in de juiste begrippen.
  • Een gemiddelde reactiesnelheid berekenen uit een grafiek of gegevens, in mol L⁻¹ s⁻¹.
  • Uit een grafiek afleiden welk experiment het snelst verliep of bij de hoogste temperatuur.
  • Uit meetreeksen de orde van een stof in een snelheidsvergelijking afleiden.

De kern

Bij een beginstof neemt af: gebruik de grootte van de verandering.

FactorBotsende-deeltjesmodel
concentratie ↑ / druk ↑ (gas)meer deeltjes per volume → meer botsingen per seconde
temperatuur ↑deeltjes sneller → meer botsingen Ć©n meer botsingen met genoeg energie (effectieve botsingen)
verdelingsgraad ↑ (fijner)groter contactoppervlak → meer botsingen per seconde
katalysatorlagere activeringsenergie → groter deel van de botsingen is effectief
  • In een concentratie-tijdgrafiek is de snelheid de steilheid; steiler = sneller.
  • De snelheid daalt tijdens de reactie, omdat de concentratie van de beginstoffen daalt.
  • Bij een enzym of katalysator kan de snelheid verzadigen: alle actieve plaatsen zijn bezet.
  • Snelheidsvergelijking : verdubbelt als verdubbelt, dan ; verviervoudigt , dan .

Zo wordt het gevraagd

  • ā€œLeg uit, aan de hand van het botsende-deeltjes-model, welk experiment bij de hoogste temperatuur is uitgevoerdā€ (2024-2).
  • ā€œLeg uit … Gebruik hierbij begrippen uit het botsende-deeltjes-modelā€ (2023-2): druk, afstand tussen deeltjes, botsingsfrequentie.
  • ā€œBereken met behulp van figuur 2 de gemiddelde omzettingssnelheid … in mol L⁻¹ s⁻¹ tussen t = … en t = ā€¦ā€ (2022-2).
  • ā€œVerklaar dat bij hogere concentraties lactaat de reactiesnelheid minder toeneemtā€ (2022-1): verzadiging.
  • ā€œLeg uit dat snelheidsvergelijking 1 in overeenstemming is met de gegevens in de tabelā€ (2019-2).

Uitgewerkt voorbeeld

Gemiddelde reactiesnelheid (examenstijl, vergelijk 2022-2 vraag 10)

Uit de grafiek: daalt van 0,80 naar 0,50 mol L⁻¹ tussen en s.

  1. mol L⁻¹
  2. 2,5·10⁻³ mol L⁻¹ s⁻¹

Orde uit meetgegevens (examenstijl, vergelijk 2019-2 vraag 26)

. Meting: (bij gelijke ) → . (bij gelijke ) → .

  1. , dus voor NO.
  2. , dus voor Oā‚‚.
  3. āœ“

Valkuilen

  • ā€œDeeltjes bewegen snellerā€ zeggen zonder de botsingen te noemen.
  • Bij temperatuur alleen ā€œmeer botsingenā€ noemen: het belangrijkste is dat meer botsingen genoeg energie hebben.
  • Macro-taal gebruiken (ā€œhet wordt warmer, dus snellerā€) als microniveau gevraagd is.
  • Een negatieve reactiesnelheid opschrijven, of de eenheid vergeten.
  • Bij een grafiek de eindwaarde vergelijken in plaats van de steilheid.

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt