Prioriteit: 🔴 Hoog

In 6 van de 8 onderzochte examenjaren, als “toon aan dat het gehalte … ppm is” of als stap in een grotere berekening, vaak met een vergelijking met een grenswaarde (2–4p).

Wat moet je kunnen?

  • Een massa-ppm of volume-ppm berekenen en aantonen.
  • Een gegeven ppm-gehalte terugrekenen naar een massa, volume of mol.
  • Een uitkomst vergelijken met een grenswaarde en een conclusie trekken.
  • Omrekenen tussen ppm, mg kg⁻¹, µg g⁻¹ en (bij water) mg L⁻¹.

De kern

Gelijk aan 1 massa-ppmGelijk aan 1 ppb
1 mg per kg1 µg per kg
1 µg per g1 ng per g
≈ 1 mg per L water ( = 1,0 kg L⁻¹)≈ 1 µg per L water
  • Teller en noemer in dezelfde eenheid zetten voordat je deelt.
  • Bij gassen: volume-ppm via het molair volume (zie Molair volume van gassen); bij gelijke en is volume-ppm = mol-ppm.
  • Bij een andere vloeistof dan water: reken via de dichtheid van volume naar massa.

Zo wordt het gevraagd

  • “Toon dit aan” voor een gehalte van 2,0 massa-ppm Cl uit tabletgegevens (2026-1 vraag 6): reken naar het getal toe.
  • Het aantal tabletten tot een grenswaarde in ppm wordt overschreden (2026-1 vraag 7).
  • “Bereken het gehalte N₂O₄ in de cabine in volume-ppm”, gevolgd door vergelijking met 300 volume-ppm (2024-2).
  • Een gehalte in µg per g omrekenen naar massa (2023-2), of massa-ppm via de dichtheid naar massa per liter (2022-2).

Uitgewerkt voorbeeld

Massa-ppm aantonen (examenstijl, vergelijk 2026-1 vraag 6)

Een tablet levert 4,0 g actief chloor in een bubbelbad met 2000 L water ( = 1,0 kg L⁻¹). Toon aan dat het gehalte 2,0 massa-ppm is.

  1. Massa water: kg g
  2. 2,0 massa-ppm ✓

Volume-ppm en grenswaarde (examenstijl, vergelijk 2024-2 vraag 25)

In een cabine van 20 m³ komt 0,050 mol gas vrij (298 K, m³ mol⁻¹). Grenswaarde: 300 volume-ppm.

  1. m³
  2. 61 volume-ppm
  3. Onder de grenswaarde van 300 volume-ppm: geen overschrijding.

Valkuilen

  • Teller in g en noemer in kg zetten (factor 1000 fout).
  • Massa-ppm en volume-ppm door elkaar halen.
  • 1 mg L⁻¹ = 1 ppm gebruiken bij een vloeistof die niet (bijna) water is.
  • Bij “toon aan” terugrekenen vanuit het gegeven antwoord.
  • ppm en ppb verwisselen (10⁶ tegenover 10⁹).

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt