Prioriteit: 🔴 Hoog

In 8 van de 8 onderzochte examenjaren, vaak als opgave met “bewegingsvergelijkingen”, met 2–3 vragen over snelheid, raaklijn aan de baan of het moment waarop iets gebeurt.

Wat moet je kunnen?

  • De snelheidsvector en baansnelheid berekenen.
  • De raaklijn aan de baan opstellen met de snelheidsvector als richting.
  • De versnellingsvector en baanversnelling bepalen.

De kern

GrootheidFormule
plaats
snelheidsvector
baansnelheid
versnellingsvector
baanversnelling
  • Raaklijn in : door het punt met richtingsvector ; rc (als ).
  • Horizontale raaklijn: (en ); verticale: .
  • Zie Parametervoorstelling en Afgeleide functie.

Zo wordt het gevraagd

  • Snelheidsvector gegeven, baansnelheid is de lengte daarvan (2026-1 vraag 10).
  • en bepalen de richting van de raaklijn aan de baan in het zelfsnijpunt (2026-2 vraag 9).
  • “Bewijs dat op t = 5 de snelheid van P inderdaad … keer zo groot is als die van Q” (2025-2 vraag 2, 4p).

Uitgewerkt voorbeeld

Raaklijn aan de baan (examenstijl, vergelijk 2026-2 vraag 9)

, . Geef een vergelijking van de raaklijn in en bereken de baansnelheid daar.

  1. , ; in :
  2. Punt:
  3. rc : raaklijn , dus
  4. Baansnelheid:

Constante baansnelheid

, (cirkelbeweging).

  1. : constant.
  2. : wijst steeds naar het middelpunt. ✓

Valkuilen

  • De baansnelheid (getal) verwarren met de snelheidsvector.
  • Bij de raaklijn de afgeleiden invullen in plaats van het punt .
  • Bij een horizontale raaklijn nemen in plaats van .

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
Onderwerpen die dit ondersteunt
  • (geen)