Prioriteit: 🔴 Hoog

In 8 van de 8 onderzochte examenjaren, en dominant: in 2026-1 waren 9 van de 17 vragen “exact” of “algebraïsch” (42 scorepunten).

Wat moet je kunnen?

  • Weten wat wel en niet mag bij “algebraïsch” en “exact”.
  • Een vergelijking zonder GR-opties oplossen en de stappen laten zien.
  • Exacte antwoorden noteren (breuken, wortels, , ) en pas afronden als dat gevraagd wordt.

De kern

AlgebraïschExact
specifieke GR-opties (snijpunt, nulpunt, max/min, hellinggrafiek, integraal)nietniet
rekenen met , , machten op de GRwelalleen als het exact blijft
benaderde tussen- en eindantwoordenmagmag niet
  • Basisbewerkingen (optellen, machten, , , ) mogen altijd.
  • “Algebraïsch” betekent niet dat het niet exact mag; het hoeft alleen niet.
  • Staat er een afrondinstructie, dan rond je het exacte antwoord aan het eind alsnog af.
  • Zie ook Bewijzen en aantonen en Toegestane hulpmiddelen en rekenmachine.

Zo wordt het gevraagd

  • “Bereken exact de coördinaten van S.” / “Bereken exact de oppervlakte van V.” (2026-1, 9 vragen).
  • “Bereken algebraïsch de coördinaten van A.” (2026-1 vraag 2).
  • “Onderzoek op exacte wijze of V en W gelijke oppervlakte hebben.” (2026-2 vraag 1).
  • “Bereken op algebraïsche wijze deze hoek.” (2026-2 vraag 9).

Uitgewerkt voorbeeld

Exact oplossen

  1. Neem aan beide kanten :
  2. ✓ (exact; is niet exact)

Algebraïsch, maar niet exact

op

  1. (tot hier exact)
  2. of
  3. of

is geen specifieke GR-optie, dus dit mag bij “algebraïsch”, maar het antwoord is niet exact. ✓

Valkuilen

  • Bij “exact” een decimaal antwoord geven, of tussendoor afronden.
  • De snijpuntfunctie van de GR gebruiken bij “algebraïsch”.
  • Stappen weglaten: de corrector moet zien hoe je zonder GR-opties tot het antwoord komt.

Test jezelf

Examenvragen om te oefenen


Ondersteunende onderwerpen
  • (geen)
Onderwerpen die dit ondersteunt